Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 11

Artikel 54

Opheffing

Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling Stadsregio Rotterdam

1.. Onverminderd het bepaalde in artikel 110 van de Wet kan de regeling worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van de bestuursorganen van alle deelnemers. Deze besluiten worden ter kennis gebracht van gedeputeerde staten. 2.. De opheffing wordt van kracht op 1 januari of 1 juli, volgend op de datum waarop de opname in het register van de Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties, als bedoeld in artikel 109 van de Wet, heeft plaatsgevonden, tenzij het algemeen bestuur een later tijdstip heeft bepaald. 3.. In geval van opheffing van de regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt hij daarvoor de nodige regels. Hierbij kan van de bepalingen van de regeling worden afgeweken. 4.. Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, na raadpleging van de raden van de deelnemers, vastgesteld. 5.. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers tot deelneming in de financiële gevolgen van de beëindiging van de regeling op de wijze de volgens de regelen als in de Wet voorzien. 6.. De organen van de stadsregio blijven, zo nodig, na het tijdstip van de beëindiging in functie totdat de liquidatie is voltooid.

Rechtspraak bij dit artikel