**1..** Onverminderd het bepaalde in artikel 110 van de Wet kan de regeling
worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van de
bestuursorganen van alle deelnemers. Deze besluiten worden ter
kennis gebracht van gedeputeerde staten.
**2..** De opheffing wordt van kracht op 1 januari of 1 juli, volgend op de
datum waarop de opname in het register van de Minister van
Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties, als bedoeld in artikel
109 van de Wet, heeft plaatsgevonden, tenzij het algemeen bestuur
een later tijdstip heeft bepaald.
**3..** In geval van opheffing van de regeling besluit het algemeen bestuur
tot liquidatie en stelt hij daarvoor de nodige regels. Hierbij kan
van de bepalingen van de regeling worden afgeweken.
**4..** Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, na raadpleging
van de raden van de deelnemers, vastgesteld.
**5..** Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers tot
deelneming in de financiële gevolgen van de beëindiging van de
regeling op de wijze de volgens de regelen als in de Wet
voorzien.
**6..** De organen van de stadsregio blijven, zo nodig, na het tijdstip van
de beëindiging in functie totdat de liquidatie is voltooid.