Naar hoofdinhoud
1.. In afwijking in zoverre van artikel 6 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten: onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, en onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs; straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanig gebouwde eigendommen – niet zijnde gebouwen – welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri’s, hekken en palen; onroerende zaken die in hoofdzaak een woonfunctie hebben en voor de verzorging van bejaarden dienen; onroerende zaken die niet bedrijfsmatig geëxploiteerd worden en in hoofdzaak zijn bestemd voor sociaal-culturele bijeenkomsten; onroerende zaken die in gebruik zijn bij verenigingen of stichtingen met een ideële doelstelling; onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor niet-commerciële activiteiten, dan wel als zodanig in gebruik zijn; onroerende zaken zonder een publieksfunctie. 2.. De onder lid 1 genoemde vrijstellingsbepalingen zijn niet van toepassing voor die objecten die aan het begin van het belastingjaar niet in gebruik zijn en bestemd zijn te worden gebruikt voor commerciële activiteiten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel