Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Begripsomschrijving

Onderdeel van Verordening activiteitenfonds 2012

1. In deze verordening wordt verstaan onder: alleenstaande: de ongehuwde die 1° geen tot zijn last komende kinderen heeft, 2° geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte, en 3° die niet een of meer meerderjarige kinderen heeft die hun hoofdverblijf in dezelfde woning als de ongehuwde hebben; de alleenstaande ouder: de ongehuwde die 1° die volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen, 2° geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte, en 3° die niet een of meer meerderjarige kinderen heeft die hun hoofdverblijf in dezelfde woning als de ongehuwde hebben; gezin: 1° de gehuwden tezamen, 2° de gehuwden met de tot hun last komende kinderen en hun meerderjarige kinderen die hun hoofdverblijf in dezelfde woning als de gehuwden hebben, 3° de alleenstaande of ongehuwde met een of meer meerderjarige kinderen die in dezelfde woning als de alleenstaande of alleenstaande ouder hun hoofdverblijf hebben. kind: het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind of, voor kind: het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind of, voor de toepassing van de artikelen 9, 25, eerste lid, 26 en 30, tweede lid, het in Nederland woonachtige pleegkind, of, voor zover het een meerderjarig kind betreft, de echtgenoot van het eigen kind of stiefkind. ten laste komend kind: het kind jonger dan 18 jaar voor wie aan de alleenstaande ouder of de gehuwde op basis van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald, zal worden betaald of zou worden betaald indien artikel 7, tweede lid, van die wet niet van toepassing zou zijn. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen. uitkering: een uitkering op grond van deze verordening; norminkomen: het hierna te noemen inkomen, vermeerderd met 10%: 1° voor de alleenstaande van 18 tot 21 jaar: de per maand geldende bijstandsnorm ingevolge artikel 20 van de WWB, verminderd met de vakantietoeslag; 2° voor de alleenstaande van 21 jaar of ouder: de per maand geldende bijstandsnorm ingevolge de artikelen 21, 22 of 23 van de WWB, vermeerderd met de maximale toeslag als bedoeld in artikel 25 WWB en vervolgens verminderd met de vakantietoeslag; 3° voor de alleenstaande ouder van 21 jaar en ouder: de per maand geldende bijstandsnorm ingevolge de artikelen 21, 22 of 23 van de WWB, vermeerderd met de maximale toeslag als bedoeld in artikel 30 WWB en vervolgens verminderd met de vakantietoeslag; 4° voor het gezin van 18 jaar en ouder: de per maand geldende bijstandsnorm ingevolge de artikelen 21, 22 of 23 van de WWB, verminderd met de vakantietoeslag. inkomen: 1° inkomen uit of in verband met arbeid; 2° inkomen uit sociale zekerheidsuitkeringen; 3° uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; 4° inkomen en uitkeringen die naar hun aard hiermee overeenkomen. 5° niet tot het inkomen worden gerekend: vakantietoeslag, huursubsidie en kinderbijslag.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel