Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 21

Buitenlandse dienstreis

Onderdeel van Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2008

De wethouder, die het voornemen heeft een buitenlandse dienstreis te maken, heeft hiervoor toestemming nodig van het college van burgemeester en wethouders. De gemeenteraad wordt van het besluit van het college van burgemeester en wethouders op de hoogte gesteld. De wethouder die het voornemen voorlegt aan het college van burgemeester en wethouders, verschaft informatie over het doel van de reis, de bijbehorende beleidsoverwegingen, de omvang en de aard van het gezelschap en de geraamde hoogte van de kosten. De wethouder ontvangt voor de ter beoordeling van het college van burgemeester en wethouders noodzakelijk te maken buitenlandse dienstreis een vergoeding van de in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten overeenkomstig het Reisbesluit buitenland. Ingeval van een buitenlandse dienstreis kan aan de wethouder een voorschot worden verstrekt. Het voorschot kan eventueel in buitenlandse valuta worden verstrekt. Dit voorschot wordt binnen een maand na het plaatsvinden van de dienstreis verrekend door middel van een bij de gemeentesecretaris in te dienen declaratieformulier. Van iedere buitenlandse reis wordt een verslag opgesteld. Alle buitenlandse reizen worden vermeld in een jaarverslag. Het meereizen van de partner van de wethouder op kosten van de gemeente is alleen toegestaan wanneer dit gebeurt op uitnodiging van de uitnodigende partij en hiermee tevens het belang van de gemeente is gediend. Het meereizen van de partner moet worden betrokken bij de aanvraag. Het anderszins meereizen van derden op kosten van de gemeente is niet toegestaan. Het meereizen van derden op eigen kosten is wel toegestaan onder de voorwaarde dat dit wordt gemeld bij de aanvraag. Het verlengen van een buitenlandse dienstreis wegens vakantie is wel toegestaan onder de voorwaarde dat dit is opgenomen in de aanvraag. De extra verblijfkosten komen volledig voor rekening van de wethouder, tenzij blijkt dat de kosten door de verlenging van de reis substantieel lager zijn geworden.

Rechtspraak bij dit artikel