De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien:
de aanvraag betrekking heeft op het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen (AWBZ) voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden.
de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;
de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw
de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe geen aanleiding bestond op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolge van ziekte of gebrek;
de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college;
deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten;
de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak;
de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ- instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden;
deze betrekking heeft op voorzieningen in een woonwagen waarvan:
de technische levensduur van de woonwagen minder dan 5 jaar is;
de standplaats binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt;
de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een woonvoorziening bij de gemeente niet op de standplaats stond;
de hoofdbewoner van een woonwagen niet in het bezit is van een bewoningvergunning als bedoeld in de Woningwet.
De financiële tegemoetkoming bedoeld in artikel 14, onder d. wordt verleend onder de voorwaarde, dat de gemeente waar de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft, verklaard dat haar niet bekend is dat ten behoeve van de aanvrager eerder een woning bezoekbaar is gemaakt.
HOOFDSTUK 4
Artikel 20
Weigeringgronden.
Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Geldrop-Mierlo 2009