Het college kan aan een vergunning voor het horecabedrijf als
bedoeld in artikel 4, eerste lid van de wet als voorschrift
verbinden dat:
de vergunning niet geldt voor het verstrekken van
alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse voor, tijdens
of na bijeenkomsten van persoonlijke aard als bedoeld in
artikel 4, tweede lid van de wet;
het niet is toegestaan om de onder a genoemde bijeenkomsten
openlijk aan te prijzen, daarvoor reclame te maken of
daarmee te adverteren.
Het college kan voorts een vergunning voor het horecabedrijf als
bedoeld in het eerste lid door middel van een voorschrift
uitsluitend laten gelden voor het verstrekken van alcoholhoudende
drank tijdens de binnen de doelstelling van de betreffende
instelling vallende activiteiten met een uitloop van maximaal een
uur voor de aanvang tot een uur na afloop van die activiteiten.