Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4

Artikel 10.

Persoonsgebonden budget

Onderdeel van Besluit Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Hattem 2011

In het geval een individuele vervoersvoorziening is verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget, zoals bedoeld in artikel 26, onder c, van de verordening, wordt dit budget met inachtneming van de navolgende bepalingen van dit artikel vastgesteld. Een persoonsgebonden budget zoals het bedoeld in lid 1 wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde die de gemeente aan de leverancier betaalt voor de goedkoopst adequate voorziening of de door burgemeester en wethouders goedgekeurde offerte. Indien nodig wordt het persoonsgebonden budget, zoals vastgesteld op basis van het voorgaande lid, verhoogd met het jaarbedrag voor onderhoud en reparatie gebaseerd op het onderhoudscontract van de gemeente bij het verstrekken van de vervoervoorziening in natura. Burgemeester en wethouders bepalen per persoonsgebonden budget het aantal jaren dat aan onderhoud en reparatie zal worden opgenomen. Een persoonsgebonden budget voor gebruik van een auto, zoals bedoeld in artikel 29, lid 2, onder a, van de verordening bedraagt ten hoogste: € 1.165,-- per kalenderjaar voor het gebruik van een eigen auto, of € 730,-- per kalenderjaar voor het gebruik van een bruikleen- of leaseauto. Een persoonsgebonden budget voor het gebruik van een individuele taxi, zo als bedoeld in artikel 29, lid 2, onder c, van de verordening bedraagt ten hoogste: € 1.165,- per kalenderjaar voor een reguliere taxi, of € 2.243,- per kalenderjaar voor een rolstoeltaxi. Een persoonsgebonden budget voor het gebruik van een auto en of taxi als bedoeld in lid 4 of 5 kan verhoogd worden, indien de aanvrager ter voorkoming van dreigende eenzaamheid aangewezen is op contacten buiten de 5-zonegrens. In een dergelijke situatie wordt de verhoging van het persoonsgebonden budget individueel vastgesteld op basis van de vervoersbehoefte, waarbij uitgegaan wordt van de werkelijke kosten van het vervoer verminderd met de kosten van het openbare vervoer. Indien echtgenoten beiden geïndiceerd zijn voor een individuele vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 29, lid 2, onder a, van de verordening, wordt het persoonsgebonden budget vastgesteld op niet meer dan anderhalf maal de bedragen genoemd in lid 4. Voor de toepassing van artikel 28, lid 3, van de verordening wordt de hoogte van het persoonsgebonden budget vastgesteld op basis van de volgende berekening: 26 (aantal weekenden) x 2 (retour) x aantal kilometers Bloemensteijn-ouderlijk huis x € 0,18. De hoogte van het persoonsgebonden budget, zoals bedoeld in artikel 29, lid 2, onder b, bedraagt 100% van de in aanmerking komende kosten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel