De bijstandsnorm voor de alleenstaande (artikel 21 a WWB) en de alleenstaande ouder (artikel 21 b WWB) wordt conform artikel 25 van de wet verhoogd:
met een toeslag gelijk aan 20% van de norm indien de alleenstaande of alleenstaande ouder een woning bewoont waarin geen ander zijn hoofdverblijf heeft.
met een toeslag gelijk aan 10% van de norm indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder een woning bewoont waarin tegelijkertijd een of meer anderen hoofdverblijf hebben.
Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet in aanmerking genomen als 'een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft':
Minderjarige niet ten laste komende kinderen.
Kinderen van 18 jaar of ouder doch jonger dan 21 jaar. Hieraan worden gelijkgesteld pleegkinderen die vóór het bereiken van de leeftijd van 18 jaar zijn geplaatst op grond van de Wet op de Jeugdhulpverlening.
Kinderen van 21 jaar en ouder met een in aanmerking te nemen inkomen van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, genoemd in artikel 3:18 van de Wet studiefinanciering 2000.
Zorgbehoevenden of verzorgenden, tenzij er sprake is van een gezamenlijke huishouding zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet.
HOOFDSTUK 2
Artikel 3
Toeslag alleenstaande en alleenstaande ouder
Onderdeel van Toeslagenverordening Wet werk en bijstand Leidschendam-Voorburg 2009