Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor
het onderzoek, degene door of namens wie een melding of aanvraag is
ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante
huisgenoten:
op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te
bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen;
op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door één of
meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of
onderzoeken.
Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstanties om
advies vragen indien:
het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet eerder
een voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder een gesprek,
als bedoeld in artikel 6, is gevoerd;
het een melding of aanvraag betreft van een persoon die wel eerder
een voorziening heeft gehad, maar waarvan de medische omstandigheden
zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak
van een voorziening of een soort van voorziening kunnen
beïnvloeden;
het college dat anderszins gewenst vindt.