De gemeente dient de kosten van de begrafenis in eerste instantie te verhalen op de bij het lijk gevonden goederen of gelden, de eventuele uitvaartverzekering en vervolgens de nalatenschap. De inboedel en de goederen die in de woning van de overledene gevonden worden (zie ook hfdst. 5) , worden geacht tot de nalatenschap te behoren, tenzij blijkt of in redelijkheid aangenomen kan worden dat zij aan anderen toebehoren. De gemeente kan dan proberen om alle goederen te verkopen om de kosten van de uitvaart te kunnen verrekenen. De Wlb gaat hier als bijzondere wet vóór het erfrecht.
In de meeste gevallen zal de overledene een gehuurde woning achterlaten en een inboedel die vrijwel niets opbrengt (of zijn de kosten om de goederen te gelde te maken mogelijk hoger dan de verwachte opbrengsten). In dergelijke gevallen onderneemt de gemeente geen tot weinig actie en beperkt zich tot het noodzakelijke.
Mocht er wel sprake zijn van een (enigszins) waardevolle boedel dan kan de gemeente die verkopen om de kosten van de begrafenis te kunnen verrekenen want die boedel maakt deel uit van de nalatenschap. Bij een waardevollere boedel (naar schatting meer dan € 5.000,--) is het aan te bevelen om de notaris in te schakelen die een uitgebreid nabestaandenonderzoek (tot de zesde graad) kan doen en die eventueel door tussenkomst van belanghebbenden (schuldeisers) of het Openbaar Ministerie bij de rechtbank een vereffenaar (voorheen curator) kan laten aanwijzen. Als er vervolgens resterende goederen of positieve saldi zijn en er nog steeds geen erfgenamen bekend zijn, dan beheert de Staat die goederen of het saldo gedurende 20 jaar. Gedurende die tijd kunnen schuldeisers of erfgenamen die middelen vorderen. Na 20 jaar vervalt alles definitief aan de Staat.
4.1.1 Beleid gemeente Heerenveen
De gemeente verhaalt in eerste instantie de kosten van de begrafenis op de nalatenschap.
Artikel 4.1
Nalatenschap
Onderdeel van Beleidsnotitie uitvoering artikel 20 tot en met 22 Wet op de lijkbezorging