Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 – Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen

Artikel Persoonsgebonden

budget

Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Gouda 2010

1.. Het persoonsgebonden budget, zoals genoemd in artikel 6 van de Wet, heeft als voorwaarde dat het alleen wordt verstrekt ten aanzien van individuele voorzieningen. 2.. Verstrekking van een persoonsgebonden budget vindt niet plaats indien: er sprake is van een collectieve voorziening, die gezien de aard en functie aangemerkt kan worden als adequate voorziening; op grond van aanwijzingen tijdens het onderzoek het ernstige vermoeden bestaat dat de persoon met beperkingen problemen zal hebben met het omgaan met een persoonsgebonden budget; een woonvoorziening wordt aangevraagd die onroerend (aard- en nagelvast) is. 3.. De omvang van het persoonsgebonden budget is de tegenwaarde van de in de betreffende situatie goedkoopst adequaat te verstrekken voorziening in natura, indien nodig aangevuld met een vergoeding voor instandhoudingskosten, zoals vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning Gouda. 4.. De toekenning van het te verstrekken persoonsgebonden budget, de omvang en de looptijd ervan worden bij beschikking vastgesteld. 5.. Bij de beschikking wordt een programma van eisen verstrekt waarin aangegeven is aan welke vereisten de met het persoonsgebonden budget te verwerven voorziening dient te voldoen. 6.. Het college stelt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning Gouda nadere regels met betrekking tot de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, de betaling, de besteding en de verantwoording van het persoonsgebonden budget. Het budget kan ook aan derden overgemaakt worden, mits hiervoor schriftelijke toestemming gegeven wordt. 7.. Na verzending van de beschikking wordt het persoonsgeboden budget ter beschikking gesteld door storting op de rekening van de persoon met beperkingen. 8.. Na aanschaf van de voorziening waarvoor het persoonsgebonden budget verstrekt is danwel na afloop van de periode waarop het persoonsgebonden budget van toepassing is, wordt aan het college door de budgethouder, voorzover van toepassing verstrekt: de nota/factuur van de aangeschafte voorziening; een betalingsbewijs van de aangeschafte voorziening; bij hulp bij het huishouden een overzicht van de salarisadministratie volgens de voorschriften zoals door het college in het Besluit maatschappelijke ondersteuning Gouda is bepaald. 9.. Na ontvangst van de in het vorige lid genoemde bescheiden kan door het college worden beoordeeld of er aanleiding bestaat het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk terug te vorderen of te verrekenen.

Rechtspraak bij dit artikel