**1..** Het commissielid ontvangt voor het bijwonen van de vergaderingen van een commissie een vergoeding die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 13 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, zoals dit bedrag jaarlijks door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt herzien.
**2..** Het college kan in het reglement tot vaststelling van de commissie bepalen dat een of meerdere commissieleden een vaste vergoeding voor hun werkzaamheden ontvangen.
**3..** Het college kan, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, in het reglement tot instelling van de commissie bepalen dat een of meerdere leden een hogere vergoeding ontvangen, indien:
het commissielid is benoemd op grond van zijn bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie, of
de vergoeding niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van de taak en de omvang van de door het commissielid te verrichten arbeid.
**4..** Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een commissie:
uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege wordt gesubsidieerd;
als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling, organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de commissie tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang dient.
Hoofdstuk 4 › Paragraaf 3
Artikel 26
Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen
Onderdeel van Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden