**1..** Het college legt een maatregel op indien naar zijn oordeel een belanghebbende blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet, het Bbz of artikel 30c, tweede lid en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende is nagekomen, met inbegrip van de verplichtingen die in het besluit tot toekenning of voortzetting van de bijstand zijn opgenomen.
**2..** De maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van het feit en de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert.
**3..** Bij de ernst van de gedraging wordt bij jongeren rekening gehouden met het feit dat voor jongeren een stringenter bijstandsbeleid dan voor ouderen van toepassing is.
**4..** Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan er afgezien worden van het opleggen van de maatregel als bedoeld in het eerste lid.
**5..** De maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt toegepast op de bijstandnorm en opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand nadat het besluit tot opleggen van de maatregel aan belanghebbende is bekend gemaakt.
**6..** In afwijking van het vorig lid kan de maatregel ook worden toegepast op de bijzondere bijstand indien aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de wet.
**7..** In afwijking van het eerste lid kan de maatregel worden toegepast op de bijzondere bijstand voor woonkosten en/of premie arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen die algemene bijstand voor levensonderhoud krachtens de Bbz ontvangen of hebben ontvangen.
**8..** In afwijking van het vierde lid kan, voor zover het zelfstandigen betreft die een uitkering voor het levensonderhoud in de vorm van een geldlening op grond van het Bbz hebben ontvangen, de maatregel met terugwerkende kracht worden betrokken bij definitieve vaststelling van die bijstand.
Hoofdstuk 1
Artikel 2