In de praktijk komt het regelmatig voor dat een maatregel feitelijk niet geëffectueerd kan worden. Deze beperking is bij het opstellen van deze verordening onderkend. Het wordt niet wenselijk geacht om voor deze situaties de mogelijkheid op te nemen om een maatregel met terugwerkende kracht op te leggen. Indien de maatregel feitelijk niet geëffectueerd kan worden omdat de uitkering wordt beëindigd kan alsnog toepassing van de (resterende) maatregel conform het vierde lid plaatsvinden. Naar het oordeel van de Centrale Raad van Beroep verzet de systematiek van de bijstandswetgeving zich ertegen dat een maatregel wordt opgelegd met het oog op een eventueel recht op bijstand in de toekomst.
Na een besluit tot intrekking of beëindiging van de uitkering kan het opleggen van een maatregel wegens in het verleden tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan pas weer aan de orde zijn, zodra (op aanvraag of ambtshalve) een nieuw recht op bijstand is vastgesteld en voor oplegging van een dergelijke maatregel geen in regelgeving vastgestelde (temporele) beperking geldt. Dit betekent dat niet bij het besluit tot intrekking/ beëindiging tot toekomstige afstemming besloten kan worden maar pas weer bij het nieuwe recht.
Dan – bij de vaststelling van het nieuwe recht dus – moet dan ook de beoordeling plaatsvinden van de mate van verwijtbaarbeid, ernst van het feit en de omstandigheden van persoon en gezin.
Het vijfde lid ziet op de situatie dat achteraf, na beëindiging van de bijstand, een maatregel-waardige gedraging alsnog wordt bestraft binnen 5 jaar na de datum van beëindiging.