De mate waarin de schending van de inlichtingenplicht de belanghebbende kan worden verweten, wordt beoordeeld naar de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeerde toen hij de inlichtingenplicht had moeten nakomen.
Bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging de belanghebbende kan worden verweten, leiden de navolgende criteria tot verminderde verwijtbaarheid:
indien de belanghebbende in onvoorziene en ongewenste omstandigheden verkeerde, die redelijkerwijs niet tot de normale levenspatroon behoren en hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid heeft gebracht niet aan de inlichtingenplicht te voldoen, maar emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem de schending van de inlichtingenplicht niet geheel kan worden verweten;
indien de geestelijke gezondheid van de belanghebbende zodanig was dat hem het schenden van de inlichtingenplicht niet volledig valt aan te rekenen;
indien de belanghebbende wel inlichtingen heeft verstrekt, maar deze inlichtingen onjuist of onvolledig waren waarbij deze onvolledigheid de belanghebbende niet geheel kan worden verweten, en de belanghebbende uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen heeft verstrekt voordat door het college de overtreding is geconstateerd;
indien er sprake is van een combinatie van omstandigheden die elk op zich niet, maar in onderling verband wel leiden tot het oordeel dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
In afwijking van het tweede lid, onderdeel c van dit artikel is er geen sprake van verminderde verwijtbaarheid indien de belanghebbende de juiste inlichtingen heeft verstrekt in het kader van het toezicht op de naleving van de inlichtingenverplichting.
Artikel 4
Verminderde verwijtbaarheid
Onderdeel van Beleidsregels waarschuwing of matiging boete socialezekerheidswetten Stadskanaal 2013