Voor het persoonsgebonden budget voor een rolstoel geldt als uitgangspunt dat dit niet hoger kan zijn dan de kosten van levering in natura gedurende de economische levensduur. De economische levensduur is gelijk aan de afschrijvingstermijn die door de leverancier wordt gehanteerd. Deze afschrijvingstermijnen zijn, bij levering van een voorziening door de contractleverancier, vastgesteld in de overeenkomst tussen de gemeente en de leverancier. Bij een nieuw product is de afschrijvingstermijn zeven jaar.
De kosten van onderhoud, gebruik, reparaties en accessoires voor rolstoelen worden volledig vergoed. Uiteraard dient ook ten aanzien van deze kosten de noodzaak vast te staan en moet het gaan om de goedkoopst compenserende voorzienig.
Onderhoudskosten die het gevolg zijn van oneigenlijk gebruik van en door de gebruiker aangebrachte modificaties aan de rolstoel komen niet voor vergoeding in aanmerking. Zie de toelichting op artikel 6.13 lid 1 sub b van de Verordening.
Paragraaf 5: Sportvoorzieningen
HOOFDSTUK 2:
Artikel 2.32
Hoogte persoonsgebonden budget voor rolstoelvoorzieningen
Onderdeel van Besluit nadere regels Wmo 2013