In deze verordening wordt verstaan onder:
a. Wet
Waar staat Wet wordt bedoeld de Wet maatschappelijke ondersteuning.
b. College
Waar staat College wordt bedoeld: College van burgemeester en wethouders.
c. Belanghebbende
In de toelichting op de VNG modelverordening wordt zowel over mantelzorgers als over de betrokkene zelf gesproken in de toelichting bij belanghebbende. Deze tekst zorgt voor onduidelijkheid. Degene die de maatschappelijke ondersteuning ontvangt is degene die wordt aangeslagen voor de eigen bijdrage / het eigen aandeel. De mantelzorger is nooit degene die de eigen bijdrage / het eigen aandeel betaalt. Daarom is er in Moerdijk voor gekozen om voor belanghebbende en mantelzorger aparte begripsomschrijvingen te hanteren. Met de belanghebbende wordt in het kader van de Wmo de ondersteuningsvrager bedoeld. Op grond van artikel 1:2 lid 1 Algemene wet bestuursrecht wordt als belanghebbende aangemerkt degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In de Awb is het begrip belanghebbende breder gedefinieerd dan op grond van de Wmo.
d. Aanmelding
In het kader van het gesprek wordt niet gesproken van een aanvraag maar van een aanmelding. Een aanmelding mag door iedereen gedaan worden, bijvoorbeeld ook door iemand van de thuiszorg. Naar aanleiding van de aanmelding wordt contact opgenomen met de belanghebbende voor een gesprek. Het gesprek heeft verschillende aspecten. Allereerst is het gesprek niet het onderzoek naar een te verstrekken voorziening, maar het onderzoek naar de situatie van betrokkene, zijn behoeften, de te bereiken resultaten enz. Dit is dan uitgangspunt voor de beoordeling welke resultaten bereikt kunnen worden met welke treden van de verantwoordelijkheidsladder. Dit traject kan uiteindelijk ook leiden tot een aanvraag voor een individuele voorziening. Het gesprek is evenwel geen vrijblijvende zaak: het gesprek is mede de basis voor de eventuele aanvraag voor een individuele voorziening.
In Moerdijk wordt een kort verslag van het gesprek aan belanghebbende toegezonden als het gesprek niet leidt tot de aanvraag van een individuele voorziening.
e. Compensatieplicht
De begripsomschrijving van het cruciale begrip “compensatieplicht” is ontleend aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 december 2008. In deze uitspraak wordt voor het eerst een fundamenteel standpunt gegeven over de Wmo. Het letterlijke citaat luidt:
“4.2.2. Artikel 4 van de Wmo verplicht het College aan de in dat artikel genoemde personen voorzieningen te bieden ter compensatie van hun beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie teneinde hen in staat te stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Dit artikel brengt mee dat de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie van deze personen de doeleinden zijn waarop de compensatieplicht van het College gericht moet zijn. Het is - gelet op de artikelen 3 en 5 van de Wmo - in beginsel aan de gemeenteraad en - gelet op artikel 4 van de Wmo - aan het College om te bepalen op welke wijze invulling wordt gegeven aan de in artikel 4 van de Wmo bedoelde compensatieplicht. De rechter dient de keuze(n) die de gemeenteraad en het College daarbij hebben gemaakt in beginsel te respecteren, onverminderd de rechtsplicht van het College om in elk concreet geval een voorziening te treffen die zich kwalificeert als compensatie van beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Artikel 4 van de Wmo legt het College, wat dat aangaat, de plicht op om een resultaat te bereiken dat als compensatie mag gelden. De Raad heeft noch in de wet, noch in de wetsgeschiedenis aanknopingspunten gevonden voor een terughoudende beoordeling van een ter uitvoering van artikel 4 van de Wmo genomen besluit. Wel heeft hij daarin aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat een dergelijk besluit in het individuele geval maatwerk dient te zijn. Onder omstandigheden kan dit leiden tot het oordeel dat algemene keuzen die de gemeenteraad en het College bij de uitvoering van de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de Wmo hebben gemaakt in het concrete, individuele geval niet kunnen worden toegepast wegens strijd met de in artikel 4 van de Wmo bedoelde compensatieplicht. De Raad vindt hiervoor steun in de parlementaire geschiedenis, meer in het bijzonder in het verslag van het wetgevingsoverleg (Tweede Kamer 2005-2006, 30 131, nr. 98, p. 58 en 61), de brief van de staatssecretaris van 30 oktober 2006 (Tweede Kamer 2006-2007, 30 131, nr. 122, p. 6), de memorie van antwoord (Eerste Kamer 2005-2006, 30131, C, p. 7, 9, 10 en 57), de nadere memorie van antwoord (Eerste Kamer 2005-2006, 30 131, E, p. 19 en 25) en de Handelingen (Eerste Kamer 27 juni 2006, p. 34-1645).”
Uit dit citaat zijn de belangrijkste bestanddelen samengevoegd tot de volgende begripsomschrijving:
“Compensatieplicht: De plicht van het College van burgemeester en wethouders aan personen met een beperking, een chronisch psychisch of een psychosociaal probleem, voorzieningen te bieden ter compensatie van hun beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie teneinde hen in staat te stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan (met als doeleinden de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie van deze personen). Daarbij legt artikel 4 van de Wmo het College de plicht op om een resultaat te bereiken dat als compensatie mag gelden en dat in het individuele geval maatwerk is”
De compensatieplicht houdt een plicht in voor het College. Die plicht geldt in ieder geval ten aanzien van personen met een beperking, een chronisch psychisch of een psychosociaal probleem. Daarbij moet het gaan om ondervonden beperkingen op het gebied van de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie. Doel is betrokkenen in staat te stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.
Bij wat het College ook besluit geldt: het moet gaan om maatwerk. Uitgegaan moet worden van de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager. Dat legt een beperking op aan de mogelijkheid algemene maatregelen te treffen, zoals het hanteren van primaten. Dat is toegestaan, mits in het individuele geval steeds wordt nagegaan of die algemene maatregel wel leidt tot maatwerk. Of zoals de Centrale Raad het zegt: “Onder omstandigheden kan dit (maatwerk) leiden tot het oordeel dat algemene keuzen die de gemeenteraad en het College bij de uitvoering van de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de Wmo hebben gemaakt in het concrete, individuele geval niet kunnen worden toegepast wegens strijd met de in artikel 4 van de Wmo bedoelde compensatieplicht.”
f. Psychosociaal probleem
Het begrip psychosociaal probleem is vanuit de AWBZ in de Wmo opgenomen, maar inmiddels als “grondslag” uit de AWBZ geschrapt. Dit is gebeurd omdat gebleken is dat deze grondslag in de AWBZ financieel moeilijk te beheersen was. In de Wmo heeft – volgens de parlementaire behandeling - dit begrip een heel specifieke betekenis. Deze betekenis wordt hier als begripsomschrijving gehanteerd en is overgenomen uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 29-04-2009. LJN: BI6832). Het betreft met name verlies van zelfstandigheid of deelname aan het maatschappelijk verkeer, de kerndoelstelling van de Wmo.
g. Mantelzorger
Dit geeft een begripsomschrijving van de mantelzorger. Daarvoor is aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving van mantelzorg zoals de Wet die geeft in artikel 1 lid 1 onder b. In aanvulling op de modelverordening Wmo schrijven wij de begripsomschrijving hier volledig uit: Mantelzorger is iemand uit de directe omgeving van een hulpbehoevende die langdurige zorg nodig heeft en die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden. Deze zorgverlening vloeit rechtstreeks voort uit de sociale relatie en overstijgt de gebruikelijke zorg.
h. Hoofdverblijf
Het begrip hoofdverblijf biedt nogal eens problemen. Het begrip is omschreven naar het aantal nachten dat men doorbrengt. Bij twijfel kan de plaats waar per jaar de meeste nachten worden doorgebracht, beschouwd worden als de plaats waar iemand zijn hoofdverblijf heeft. Dit kan een rol spelen als iemand meerdere plaatsen heeft waar een groot deel van het jaar wordt doorgebracht, zoals personen die het jaar deels in het buitenland doorbrengen, personen die deels in een AWBZ-instelling verblijven en deels elders, enz.
Aanvullend op de modelverordening Wmo: uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat waar het hoofdverblijf is, vastgesteld dient te worden aan de hand van de feitelijke omstandigheden. Vandaar dat gekeken kan worden naar waar belanghebbende de meeste nachten per jaar verblijft. Bijvoorbeeld wanneer belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente waar de ouderlijke woning staat en hij verblijft om het weekend, tijdens de schoolvakanties en de feestdagen bij zijn ouders. Dan is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende, die door de weeks verblijft in een AWBZ-instelling, aldaar zijn hoofdverblijf heeft. Hij verblijft daar immers het merendeel van zijn tijd (CrvB 22-09-2010, nr. 09/1743 WMO).
i. ICF-classificatie
De ICF-classificatie is in de Wet genoemd als mogelijkheid om de cliëntsituatie te omschrijven. Het is een classificatie van het menselijk functioneren geordend in gezondheidsdomeinen. In Moerdijk wordt de ICF-classificatie aangevuld met niet gezondheid-gerelateerde vragen om een totaalbeeld van de situatie van de belanghebbende te krijgen teneinde tot een maatwerkoplossing voor de ondersteuningsvraag te komen.
j. en k. Stoornis en beperking
De begrippen stoornis en beperking komen uit de ICF classificatie.
l. Maatschappelijke participatie
In de modelverordening van de VNG wordt dit begrip niet in de begrippenlijst genoemd. Aangezien maatschappelijke participatie de hoofddoelstelling van de Wet is hebben wij het begrip maatschappelijke participatie in de Moerdijkse verordening wel opgenomen. Deze term is nauw verwant aan het compensatiebeginsel uit de Wet. Maatschappelijke participatie wordt gerelateerd aan de 5 resultaatsgebieden die in het compensatiebeginsel staan vermeld.
m. Lokaal verplaatsen per vervoermiddel
In deze begripsomschrijving wordt de reikwijdte aangegeven van het compensatie-element lokaal verplaatsen per vervoermiddel. In de VNG modelverordening is deze reikwijdte bij de begripsomschrijvingen niet opgenomen.
n. Zelfredzaamheid
De verstrekking van voorzieningen in het kader van deze Verordening zijn erop gericht de zelfredzaamheid van burgers te behouden dan wel te bevorderen. Zelfredzaamheid is een van de doelstellingen van de Wet, vandaar dat in de verordening van Moerdijk deze begripsomschrijving is opgenomen (in aanvulling op de modelverordening van de VNG)
o. Gesprek
Onder "het gesprek" wordt de situatie verstaan waarbij degene die problemen ondervindt op het terrein waar de compensatieplicht van toepassing is, zich aanmeldt en na die aanmelding in gesprek komt met een vertegenwoordiger van het College, die samen met betrokkene en eventueel aanwezige mantelzorger(s) inventariseert waar betrokkene en zijn mantelzorger(s) problemen ondervinden, wat betrokkene nog zelf kan, wat de te bereiken resultaten zijn in de ogen van betrokkene, wat de behoeften daarbij zijn, wat zijn sociale netwerk kan bijdragen aan deze resultaten (aanvulling op VNG modelverordening) welke oplossingen er in de maatschappij beschikbaar zijn via algemene voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen, voorliggende voorzieningen en collectieve voorzieningen, zodat een basis ontstaat voor het zoeken naar oplossingen voor de problemen. Met die oplossingen wordt het te bereiken resultaat gerealiseerd. Voor zover die resultaten niet in dat gesprek al te behalen zijn, zal een vervolg noodzakelijk zijn in de vorm van een aanvraag die leidt tot een beschikking. Het gesprek zal de basis zijn voor de aanvraag en is de basis om maatwerk te kunnen leveren.
Het gesprek wordt in hoofdstuk 3 uitgewerkt.
p. Verantwoordelijkheidsladder
De verantwoordelijkheidsladder is de leidraad voor het gesprek. De VNG modelverordening dateert van 2010. Het begrip verantwoordelijkheidsladder is daar nog niet in uitgewerkt. Van 2010 tot nu, in de lokale uitvoeringspraktijk van de Wmo, heeft het begrip verantwoordelijkheidsladder vorm en invulling gekregen. In de Verordening van Moerdijk is de verantwoordelijkheidsladder als basis voor het gesprek opgenomen.
De verantwoordelijkheidsladder geeft aan dat de primaire verantwoordelijkheid voor participatie niet bij de overheid ligt maar bij de burger zelf (eigen kracht) en bij hun sociale omgeving. Als belanghebbende het op eigen kracht en met zijn sociale omgeving niet redt kan gebruik gemaakt worden van algemene voorziening. Pas als ook deze geen uitkomst bieden komen collectieve en individuele voorzieningen in beeld. In de praktijk kan er ook een mix van diverse ondersteuningsvormen ontstaan die tezamen de belanghebbende compenseren.
Hieronder is per trede van de verantwoordelijkheidsladder een voorbeeld van een compenserende oplossing gegeven. Deze voorbeelden zijn niet uitputtend en uitsluitend.
a.Wat kan belanghebbende op eigen kracht?
Bijvoorbeeld: Iemand rijdt nog auto waardoor hij zelf in zijn vervoersbehoefte voorziet.
b.Wat kan het sociaal netwerk van belanghebbende?
Bijvoorbeeld: een buurvrouw geeft aan bij haar wekelijkse boodschappen ook voor de belanghebbende de boodschappen mee te willen nemen.
c.Wat kan met een algemene/ voorliggende voorziening?
Bijvoorbeeld: iemand gaat bij het eetpunt in het verzorgingshuis eten omdat hij de boodschappen voor het avondeten niet meer zelf kan doen.
d.Wat kan met een individuele Wmo voorziening die collectief georganiseerd is?
Bijvoorbeeld: het collectief vervoer waar meerdere personen tegelijk gebruik maken van de taxibus.
e.Wat kan met een individuele Wmo-voorziening die individueel georganiseerd is?
Bijvoorbeeld: een traplift om gebruik te kunnen blijven maken van de slaapkamer en badkamer boven.
q. Aanvraag
De aanvraag voor een individuele voorziening in het kader van de Wmo volgt in principe op het gesprek. De aanvraag wordt gedaan door de belanghebbende of diens wettelijke vertegenwoordiger. Het moge duidelijk zijn dat het gesprek achterwege kan blijven als de situatie van betrokkene volstrekt helder is en betrokkene goed bekend is bij de gemeente. Hiervan kan sprake zijn bij bijvoorbeeld vervanging van voorzieningen wegens het bereiken van de afschrijvingstermijn. De belanghebbende in Moerdijk dient schriftelijk zijn aanvraag in.
r. Algemene voorziening
Dit zijn voorzieningen, met name diensten of een combinatie van dienst en product, die weliswaar niet bestemd zijn voor, noch te gebruiken zijn door alle inwoners; anderzijds zijn ze door iedereen waarvoor ze wel bedoeld zijn op eenvoudige wijze, zonder een ingewikkelde aanvraagprocedure, te verkrijgen of te gebruiken . Voorbeelden zijn:
De dagrecreatie voor ouderen
De sociale alarmering
De boodschappenbus, de supermarktservice, de vrijwillige boodschaphulp
De maaltijdservice en het eetcafé
Klusjesdiensten om kleine woningaanpassingen te realiseren zoals de buurtconciërge, klussendienst, 55+service, thuiszorgservice
De (ramen)wasservice
De rolstoel-pools en scootmobiel-pools voor incidentele situaties
De kort durende huishoudelijke hulp
Kinderopvang in al zijn verschijningsvormen
Een algemene voorziening is dus per definitie geen individuele voorziening en de Wmo-regels rond eigen bijdragen/eigen aandeel gelden niet.
s. Voorliggende voorziening
De wettelijk voorliggende voorzieningen zijn die voorzieningen in wetgeving en in regelgeving vastgelegd, die op basis van artikel 2 van de Wet voorgaan op de Wmo. Te denken valt hierbij aan onder meer de Zorgverzekeringswet, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de Wet op de kinderopvang, de verschillende arbeidsongeschiktheidswetten.
Als een wettelijk voorliggende voorziening het probleem kan oplossen is er geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wmo , zo is in artikel 2 Wmo bepaald.
Voorliggend kunnen ook zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of collectieve voorzieningen. Bij deze voorzieningen is de plaats op de verantwoordelijkheidsladder bepalend: zij gaan voor individuele voorzieningen.
t. Algemeen gebruikelijke voorziening
Volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is een voorziening, met name producten, algemeen gebruikelijk als het gaat om een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een handicap, zodat de voorziening ook op grote schaal door niet-gehandicapten wordt gebruikt, die gewoon in een normale winkel te koop is en niet speciaal in de revalidatie-vakhandel of soortgelijke winkels en die qua prijs niet (aanzienlijk) duurder is dan vergelijkbare. Wat in een concrete situatie als algemeen gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van de geldende maatschappelijke normen van het moment van de aanvraag en de individuele situatie van de aanvrager.
De Centrale Raad heeft aangegeven dat bij de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is gekeken moet worden naar het individuele geval. Iedere aanvraag moet beoordeeld worden aan de hand van de concrete omstandigheden van de aanvrager (zie bijvoorbeeld CRvB 17-11-2009, nr.08/3352 Wmo).
In een recente uitspraak heeft de Rechtbank Arnhem aangegeven dat het inkomen geen rol mag spelen bij de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is (Rechtbank Arnhem, 16-08-2012, nr. AWB 11/5564). Door rekening te houden met het inkomen wordt een financiele voorwaarde verbonden aan de toekenning van een voorziening. De Rechtbank acht dit niet toegestaan op grond van artikel 15 en 19 Wmo.
Het beleid waarin gemeenten een uitzondering maken op het algemeen gebruikelijk zijn van een voorziening wanneer het inkomen van de belanghebbende, mede ten gevolge van aantoonbare kosten ten gevolge van zijn beperking, onder het in diens situatie geldende bijstandsniveau dreigt te komen, mag wel gehanteerd worden. Dit is begunstigend beleid voor belanghebbenden.
u. Individuele Wmo-voorziening
In dit lid wordt de individuele voorziening gedefinieerd. Deze is niet voor iedereen beschikbaar, maar uitsluitend voor diegenen die onder artikel 4 van de Wet vallen. Er wordt individueel onderzoek gedaan naar de noodzaak van deze voorziening, de voorziening wordt bij beschikking toegekend en er staat bezwaar en beroep open. Verder zijn alle regels van de Wmo van toepassing, zoals die rond eigen bijdragen en eigen aandeel.
Binnen de individuele Wmo-voorzieningen kunnen de ‘collectieve voorzieningen’ nog worden onderscheiden. Deze worden individueel verstrekt maar worden collectief georganiseerd. Meerdere personen maken er tegelijk gebruik van. Bijvoorbeeld het Collectief Vervoer (KCV). Voor deze voorzieningen geldt een primaat als deze voor de belanghebbende goedkoopst compenserend zijn. De belanghebbende krijgt voor een individuele Wmo-voorziening die collectief georganiseerd is een beschikking.
v.Voorziening in natura
Omschreven is in dit lid wat een voorziening in natura is.
w.Persoonsgebonden budget
Dit lid beschrijft het persoonsgebonden budget als een geldbedrag bedoeld om het te bereiken resultaat te bereiken.
x.Financiële tegemoetkoming
Vervolgens wordt omschreven wat een financiële tegemoetkoming is. Daarbij wordt gesproken over een forfaitair bedrag, een bedrag waarbij geen rekening is gehouden met het inkomen of met de werkelijke kosten.
y.Gebruikelijke zorg
Als in een leefeenheid meerdere meerderjarige personen wonen hebben zij gezamenlijk de taak al het zich voordoende huishoudelijke werk te verrichten. Zij zijn zelf verantwoordelijk voor de verdeling en dit uitgangspunt heeft een verplichtend karakter.
z.Eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten
De bevoegdheid voor het vragen van een eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten van een voorziening vloeit voort uit artikel 15, eerste lid van de Wet. Deze kan op het inkomen worden afgestemd, zij het dat daarvoor op basis van artikel 15, eerste lid van de Wet bij Algemene Maatregel van Bestuur nadere regels kunnen worden gesteld. Van deze bevoegdheid wordt gebruik gemaakt door middel van het vaststellen van het Financieel besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Moerdijk. De hoogte van de eigen bijdrage of het eigen aandeel wordt op dezelfde manier berekend. Het verschil zit erin dat de eigen bijdrage van toepassing is bij het verlenen van voorzieningen in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget. Het eigen aandeel wordt toegepast bij een financiële tegemoetkoming (bijvoorbeeld voor een woningaanpassing).
Artikel 1
Begripsbepalingen
Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Moerdijk