Het college zorgt bij het uitoefenen van de financiële functie voor:
het aantrekken van voldoende financiële middelen en het
uitzetten van overtollige gelden om de programma’s binnen de
door de raad vastgestelde kaders uit te voeren;
het beheersen van de risico’s verbonden aan de
financieringsfunctie zoals rente-, koers- en
kredietrisico’s;
het beperken van de kosten van leningen en het bereiken van
een voldoende rendement op uitzettingen;
het beperken van de interne verwerkingskosten en externe
kosten bij het beheren van geldstromen en financiële
posities.
Het college neemt bij het uitvoeren van de financieringsfunctie de
richtlijnen zoals opgenomen in de wet FIDO en RUDDO alsmede het
treasurystatuut in acht.
Bij het uitzetten van middelen, het verstrekken van garanties en het
aangaan van financiële participaties uit hoofde van de publieke taak
bedingt het college indien mogelijk zekerheden. Het college
motiveert in zijn besluit het openbaar belang van dergelijke
uitzettingen van middelen, verstrekkingen van garanties en
financiële participaties.
Het college doet de raad op basis van daartoe geldende regelgeving
een voorstel tot vaststelling of wijziging van het Treasurystatuut.
4. – Paragrafen.