Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 - › Afdeling 4 -

Artikel 4:11

Vergunningsplicht handelsreclame

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening Gouda 2009

1.. Het is verboden om zonder vergunning van het bevoegd gezag op of aan een onroerende zaakhandelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is. 2.. Het verbod geldt niet voor onverlichte: opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg; opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid; opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op: - een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; - het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd; opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer. 3.. Het verbod geldt niet voor opschriften of aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits: van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijk kennisgeving is gedaan aan het bevoegd gezag; het bevoegd gezag niet binnen twee weken na ontvangst van die kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken; deze opschriften of aankondigingen niet langer dan negen weken op de onroerende zaak aanwezig zijn. 4.. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de verkeersveiligheid; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 5.. De weigeringsgrond van het vierde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken en niet op of aan wegen voor zover de Verordening Bescherming Landschap en Natuur Zuid-Holland van toepassing is. 6.. Bij een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning moet in ieder geval in tweevoud worden overgelegd: een beschrijving met tekeningen op schaal 1:10; indien mogelijk foto's; een opgave van de materialen en kleuren. Commentaar Wabo De vergunningsplicht handelsreclame valt onder de Wabo. Zie ook het commentaar op artikel 1:1 en artikel 1:2. Algemeen De afbakeningsbepaling van het vijfde lid is toegespitst op de jurisprudentie in die zin dat nu is bepaald dat bij bouwwerken alleen kan worden getoetst aan de belangen van de verkeersveiligheid en de voorkoming of beperking van overlast voorgebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. De afbakeningsbepaling slaat dus niet meer terug op het verbod van het eerste lid, maar op de weigeringsgrond welstand. In de uitspraak Amstelveen overweegt de afdeling in dit verband dat het welstandstoezicht in het kader van de Woningwet niet beperkt is tot toetsing van bouwkundige elementen. Vergunningsplicht voor handelsreclame op of aan een onroerende zaak (eerste lid) Het aanbrengen (maken) en hebben (voeren) van handelsreclame (commerciële reclame) aan een onroerende zaak wordt in deze bepaling gebonden aan een vergunning van het college. Handelsreclame is gedefinieerd in artikel 1.1, aanhef en onder k, van de APV als: elke openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. Onroerende zaken zijn volgens het artikel 3:3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek onder meer de grond, de met de grond verenigde beplantingen en de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd. In het begrip handelsreclame ligt besloten dat het in artikel 4:11 gaat om niet-ideële reclame, waardoor geen gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Zie ook de toelichting bij artikel 1:1, aanhef en onder h (handelsreclame). Volgens vaste jurisprudentie behoren reclame-uitingen in de commerciële sfeer niet tot het eigenlijke gebied van de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. Het in dit artikel gecreëerde vergunningenstelsel is derhalve niet in strijd met artikel 7 van de Grondwet. In artikel 7, vierde lid, van de Grondwet wordt de handelsreclame met zo veel woorden van de vrijheid van drukpers uitgezonderd. De bedoeling hiervan is uitsluitend die reclame-uitingen buiten de grondwettelijke bescherming over het openbaren van gedachten of gevoelens te houden, waaraan het ideële, maatschappelijke of politieke aspect ontbreekt. De volgende vraag die zich opdringt is of dit artikel ook in overeenstemming is met artikel 10 EVRM en 19 IVBP. De bescherming van het recht op vrije meningsuiting strekt zich in deze artikelen mede uit tot reclame. Deze vraag kan onzes inziens bevestigend worden beantwoord. Allereerst is het de vraag of artikel 10 EVRM überhaupt wel toeziet op zuivere handelsreclame. Weliswaar heeft de Hoge Raad dit in algemene zin gesteld in een uitspraak van 13 februari 1987 (NJ 1987, 899), het Europese Hof heeft zich hierover nog niet eenduidig uitgesproken (zie onder andere EHRM 24 februari 1994, NJ 1994, 518). Wel mag er op grond van arresten van het Europese Hof vanuit worden gegaan dat de bescherming ten aanzien van commerciële reclame minder ver gaat dan de bescherming ten aanzien van andere uitingen gelet op de strekking van het verdrag. Echter, ook indien er vanuit wordt gegaan dat alle handelsreclame onder artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR valt, zijn beperkingen zoals een vergunningstelsel mogelijk zolang deze voorzien zijn bij wet. Naar algemeen wordt aangenomen worden hieronder ook gemeentelijke verordeningen verstaan. Daarnaast dienen de beperkingen noodzakelijk te zijn in een democratische samenleving ter bescherming van de in de artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBP genoemde belangen. Hieronder vallen onder andere het voorkomen van wanordelijkheden en de bescherming van rechten van derden. De rechtspraak lijkt deze visie te bevestigen. In een uitspraak van 23 december 1994 stelt de ABRS in een zaak waarin een driehoeksreclamebord wordt geweigerd dat artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBP alleen in het geding zijn als de verspreiding van reclame zo zeer aan banden zou zijn gelegd dat de vrijheid om reclame te maken zelf zou worden aangetast (JG 95.0207, AB 1995, 163). Ook is in een uitspraak van de Hoge Raad over een aanplakverbod zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende bepaald dat dit niet in strijd is met artikel 10 EVRM en 19 IVBP aangezien het verbod bij wet is voorzien en noodzakelijk in een democratische samenleving ter voorkoming van wanordelijkheden en ter bescherming van rechten van derden (HR 1 april 1997, NJ 1997, 457). Het voorgaande betekent dat zolang niet in een absoluut verbod, te absolute beperkingen of restrictief beleid is voorzien en er een duidelijke noodzaak voor de beperkingen bestaat, zodanig dat er feitelijk een mogelijkheid van enige betekenis van het middel van bekendmaking overblijft, het vergunningenstelsel op grond van artikel 4:12 houdbaar lijkt. Uitzonderingen op vergunningsplicht (tweede lid) Door hantering van het begrip handelsreclame in het eerste lid is een duidelijke afbakening gegeven ten opzichte van ideële reclame. Ideële reclame valt dus niet onder de vergunningsplicht. Dit zou in strijd zijn met de vrijheid van meningsuiting van artikel 7 van de Grondwet. Ideële reclame is overigens wel onderworpen aan repressief toezicht op grond van het bepaalde in artikel 2:5. In het tweede lid is ook een aantal opschriften en aankondigingen die kunnen dienen tot het maken van handelsreclame uitgezonderd van de vergunningsplicht. Deze uitzonderingen gelden alleen voor onverlichte reclames. Lichtreclames zijn dus altijd vergunningsplichtig, tenzij het bouwwerken zijn (zie vijfde lid). Dit heeft uiteraard te maken met het feit dat lichtreclames snel hinderlijk kunnen zijn. Het college kan hiervoor beleidsregels opstellen met criteria voor kleur, intensiteit en tijdstippen van verlichting. Géén uitzondering is overigens opgenomen voor opschriften enzovoort die worden aangebracht ter voldoening aan een wettelijke verplichting of krachtens een wettelijke bevoegdheid. Dit is niet nodig omdat dergelijke opschriften geen betrekking hebben op handelsreclame. Melding voor tijdelijke handelsreclame (derde lid)Voor opschriften enzovoort met een tijdelijk karakter (maximaal negen weken) is een systeem van melding bij het college in het leven geroepen. Wanneer het college niet binnen twee weken reageert op die melding, mag in afwijking van het in het eerste lid gestelde plaatsingsverbod zonder vergunning tot plaatsing worden overgegaan. Voor de praktische toepassing van dit stelsel is het wellicht mogelijk beleidslijnen te ontwikkelen over de wijze van plaatsing, materiaalgebruik, termijn verwijdering na afloop van de aangekondigde activiteit. Voor regelmatig terugkerende evenementen, zoals sportwedstrijden en culturele activiteiten, zou met een eenmalige melding kunnen worden volstaan. De zinsnede ‘voor zolang zij feitelijke betekenis hebben’ geeft aan dat het meldingsstelsel alleen van toepassing is op actuele handelsreclame. Bijvoorbeeld: als in december 2003 reclame wordt gemaakt voor een woonbeurs op 9 januari 2004, dan geldt tot en met 9 januari het meldingsstelsel van het derde lid. Na 9 januari herleeft het verbod van het eerste lid. Weigeringsgronden (vierde lid) In het vierde lid zijn als mogelijke weigeringsgronden voor een vergunning opgenomen, kort samengevat: a. welstand; b. verkeersveiligheid en c. overlast. Met deze weigeringsgronden zijn tevens de motieven voor de vergunningsplicht gegeven volgens de systematiek van de APV. De weigeringsgrond welstand heeft echter in de jurisprudentie een probleem opgeleverd, omdat bouwvergunningsplichtige handelsreclame reeds onderworpen is aan welstandstoetsing. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft eind 2002 duidelijk uitgesproken dat naast  de bouwvergunning voor de handelsreclame geen ruimte meer is voor een APV-vergunning (op grond van welstandoverwegingen). Afbakening met andere regelgeving (vijfde lid) Op 1 januari 2003 is het bouwvergunningstelsel van de Woningwet gewijzigd. Er zijn twee soorten bouwwerken: vergunningsplichtige (lichte- en reguliere bouwvergunningen) en vergunningsvrije. De meldingsplicht is verdwenen. Op de vergunningsplichtige bouwwerken vindt een preventieve welstandstoets plaats. Repressief welstandstoezicht rust zowel op bouwvergunningsplichtige als bouwvergunningsvrije bouwwerken. Gemeenten moeten een welstandsnota hebben vastgesteld om na 1 juli 2004 (preventief of repressief) welstandstoezicht te kunnen (blijven) uitoefenen. Alle bouwwerken in de zin van de Woningwet zijn dus onderhevig aan welstandstoetsing. In aansluiting op hetgeen is vermeld onder subparagraaf Algemeen, is in 2003 naar aanleiding van de jurisprudentie Enschede en Amstelveen een nieuwe afbakeningsbepaling gemaakt ter vervanging van het oude derde lid. Volgens de interpretatie van de bestuursrechter van het oude derde lid mag ten aanzien van bouwwerken (op grond van welstandoverwegingen) geen handelsreclamevergunning op grond van de APV worden vereist. Om voor bouwwerken naast de welstandstoetsing van de Woningwet, de APV-handelsreclamevergunning te kunen blijven hanteren om de verkeersveiligheid en overlastaspecten te toetsen, is een nieuwe redactie van de afbakeningsbepaling gemaakt. De nieuwe afbakeningsbepaling van het vijfde lid houdt in dat via de APV geen welstandstoetsing is vereist voor bouwwerken. De vergunning ex artikel 4:11 APV blijft vereist voor deze bouwwerken en kan dan alleen worden getoetst aan verkeersveiligheid en overlast (weigeringsgronden b en c.). In 2003 is tevens een aantal afbakeningsregelingen geschrapt. Door precieze formulering in het eerste lid van de activiteit of gedraging die wordt verboden, is minder afbakening nodig. Naast een goede formulering is in 2003 ook nauwkeurig bekeken of de voorheen genoemde hogere regelgeving wel of niet noodzakelijk waren om af te bakenen. Een aantal afbakeningsbepalingen bleek niet nodig. In de eerste plaats is de Monumentenwet geschrapt, omdat die wet geen toetsingscriterium heeft dat overeenkomt met de motieven van de APV. Weigeringsgrond in de Monumentenwet is namelijk niet het welstandsmotief, maar de cultuurhistorische waarde van het pand. In de tweede plaats is de Wet milieubeheer geschrapt, omdat deze in wezen niets met handelsreclame te maken heeft. Kern van deze wet is immers het oprichten en inwerking hebben van inrichtingen. Bij de APV gaat het niet over inrichtingen. Deze wetten regelen niet dezelfde onderwerpen als de APV (dezelfde gedraging, hetzelfde motief, zie de artikelen 121 en 122 van de Gemeentewet), dus is er geen gevaar voor onverbindendverklaring van de APV. In het vijfde lid is geen afbakening meer opgenomen ten opzichte van 2:5, omdat artikel 4:11 door zijn formulering duidelijk gaat over handelsreclame en artikel 2:5 over ideële reclame. Het plaatsen van (mobiele) reclamevoertuigen op de weg wordt gereguleerd door artikel 5:3 APV. Lex silencio positivo Er valt niet in te zien waarom in dit geval van toepassing van een lex silencio om redenen van algemeen belang zou moeten worden afgezien. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt op dit artikel van toepassing verklaard. Jurisprudentie Reclameverordening onverbindend omdat het begrip ‘reclame’ zodanig ruim is gedefinieerd dat daaronder niet alleen commerciële reclame is te verstaan. ARRS 22-1-1981, NG 1981.Bewegende reclame achter een raam wordt als een zelfstandig verspreidingsmiddel aangemerkt. Dit verspreidingsmiddel wordt echter door een verbodstelsel met de mogelijkheid van ontheffingen niet te vergaand ingeperkt. Geen strijd met artikel 7 Grondwet. ABRS 17-9-1998, AB 1998, 431.Onderscheid commerciële reclame en reclame waardoor gedachten en gevoelens worden geopenbaard. ARRS 20 8 1981, GS, 1982, 6692,3. Bouwvergunning vereist voor een reclamebord met opschrift Te koop/Te huur omdat de duur van de aanwezigheid ongewis is. ABRS 22 5 1997, JG 97.0180, m.nt. L.A.J.F. Timmermans. Zie ook ABRS 3-4-1997, JG 970180 m.nt. L.A.J.F. Timmermans, BR 1998, 2, p. 134 m.nt. J.W. Weerkamp. Weigeringscriteria voor het plaatsen van een reclamebord in de APV (welstand, verkeer en overlast) zijn limitatief. Indien reclamevergunning wordt geweigerd, dient een weigering te zijn gebaseerd op een of meer van deze criteria. ABRS 24-9-1996, JG 97.0049. De weigering van een reclamevergunning op grond van het beleid dat reclame uit een oogpunt van welstand en landschapsschoon niet in het buitengebied wordt toegestaan, is niet houdbaar. Welstandsaspecten van de reclame moeten afzonderlijk worden onderzocht. ABRS 12-8-1994, AB 1994, 681. Weigering van een reclamevergunning op grond van een beleid om geen reclameborden boven de puizone aan te brengen is niet onredelijk. Het feit dat dit bord dient ter vervanging van een bestaand bord doet hieraan niet af. ABRS 23-4-1998 (VNG-databank JU 991007). Definitie van het begrip ‘handelsreclame’. Lichtborden op makelaarskantoor zijn handelsreclame. ABRS 5 10 1995, JG 96.0031, GS, 1997, 7045,2 m.nt. E. Brederveld. Definitie van het begrip ‘handelsreclame’. Lichtborden met naamsaanduiding van een bejaardeninstelling is geen handelsreclame. ABRS 20 7 1995, JG 96.0030, GS, 1997, 7045,3 m.nt. E. Brederveld. Reclamebord op antieke wagens. Door het gebruik van de grond voor permanente plaatsing van deze voertuigen is sprake van het ‘gebruik van een onroerende zaak’. ARRS 10 6 1993, JG 94.0009. Wanneer sprake is van een bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet, is de Woningwet van toepassing en geldt mitsdien, gezien het bepaalde in arikel 4.7.2, derde lid, van de (model)APV, het in het eerste lid van dit artikel gestelde verbod niet. Nu in dit geval de Woningwet van toepassing is, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat naast de door hen verleende bouwvergunning voor de oprichting van de reclamezuil niet ook een reclamevergunning als bedoeld in artikel 4.7.2 van de APV is vereist. Zij hebben dan ook terecht het verzoek om toepassing vanbestuursdwang ten aanzien van de dubbelzijdige lichtreclamezuil afgewezen. ABRS 13-11-2002, GS,2003, 7180, 34 m.nt. J.Teunissen. Het college heeft ten onrechte niet getoetst aan het bepaalde in het derde lid. Niet is gebleken dat zij hebben beoordeeld of in dit geval de Woningwet een bouwvergunning voor de betreffende reclameobjecten voorschrijft. Het standpunt van het college dat in dit geval geen sprake is van overlappende regelgeving nu de APV een specifiek welstandsdoel nastreeft ten opzichte van de Woningwet, doet hier niet aan af. Anders dan het college meent, is het welstandstoezicht in het kader van de Woningwet niet beperkt tot toetsing van bouwkundige elementen. ABRS 4-12-2002, GS, 2003, 7180, 35 m.nt. J. Teunissen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel