Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Afdeling 4 - Toezicht op evenementen

Artikel Begripsomschrijving evenemen

Artikel Begripsomschrijving evenemen

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening Gouda 2009

1.. In deze afdeling wordt onder een evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoopvoorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in artikel 2:4 van deze verordening. 2.. Onder evenement wordt mede verstaan: een herdenkingsplechtigheid; een braderie; een snuffelmarkt; een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening; een feest, muziekvoorstelling; een wedstrijd op of aan de weg. 3.. In deze afdeling wordt onder organisator verstaan: degene die voornemens is een evenement te organiseren en/of degene die een evenement organiseert. Commentaar Het eerste lid gaat uit van de zogenaamde negatieve benaderingsmethode ten aanzien van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen geldend criterium (‘namelijk elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak’) wordt vervolgens een aantal activiteiten opgesomd dat niet onder de werking van de bepalingen valt. In de eerste plaats is dit het geval bij bioscoopvoorstellingen. Deze voorstellingen worden niet als evenement aangemerkt. Daarnaast gelden de bepalingen niet voor (waren-)markten. Daartoe kunnen regels vaststellen in een marktverordening. De Wet op de kansspelen kent een eigen toezichtsregime. Dansen in een DHW-inrichting is uitgezonderd van het evenementenbegrip omdat dit in het algemeen niet als een evenement kan worden gezien. Dit valt onder de normale bedrijfsvoering. Een andere, meer incidenteel plaatsvindende activiteit dan het gelegenheid geven tot dansen (bijvoorbeeld het optreden van een band, een houseparty of een kooigevecht) kan wel als evenement worden aangemerkt. Zie verder hieronder onder “Tweede lid onder e: Feest, muziek”. Betogingen, samenkomsten en vergaderingen zijn al geregeld in de Wet openbare manifestaties (WOM). Zie de toelichting van artikel 2:3. De activiteiten in artikel 2:4 (straatartiest en dergelijke) zijn uitgezonderd om dubbele regelgeving te voorkomen. In het tweede lid wordt een aanvulling gegeven op het begrip evenement. Enerzijds wordt verduidelijkt dat bepaalde specifieke activiteiten daaronder vallen en anderzijds worden enkele activiteiten op of aan de weg ook al zijn die niet (geheel) voor het publiek toegankelijk onder het begrip evenement gerangschikt. Tweede lid onder a: Herdenkingsplechtigheid Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk is maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden aangemerkt, wordt ze als evenement genoemd. Tweede lid onder b: Braderie Omdat een braderie van korte duur is en niet met een bepaalde regelmaat terugkeert, kan deze activiteit niet als jaarmarkt of gewone markt worden aangemerkt in de zin van artikel 160 Gemeentewet (Vz. ARRS 27-05-1992, JG 93.0002). Tweede lid onder c: Snuffelmarkt Vanwege de grote gelijkenis met een braderie is ook de snuffelmarkt onder het evenementenbegrip geplaatst. Tweede lid onder d: Optochten Het houden van optochten, zoals carnavals- en Sinterklaasoptochten, bloemencorso’s enzovoort, die niet opgevat kunnen worden als een middel tot het uiten van een mening of gedachten of gevoelens, valt niet onder de bescherming van de Grondwet, het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of andere internationale verdragen die de vrijheid van meningsuiting waarborgen. Evenmin is hierop de WOM van toepassing. Tweede lid onder e: Feest, muziek Wanneer een feest voor publiek toegankelijk is, is sprake van een vergunningplichtige activiteit omdat het valt onder de reikwijdte van de begripsomschrijving van artikel 2:10 lid 1. Het feest kan als een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak worden aangemerkt. Besloten feesten daarentegen vallen niet onder de reikwijdte van de evenementenbepaling omdat deze activiteit niet een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak is. Bijvoorbeeld bij het houden van een bedrijfsfeest waar aan de hand van uitnodigingslijsten publiek aanwezig is, is geen sprake van een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak. Maar wanneer een feest een ‘besloten’ karakter heeft en er publiekelijk kaarten worden verkocht en/of reclame wordt gemaakt, is sprake van een evenement. De gemeente kan bij feesten waarvoor geen vergunning nodig is optreden wanneer deze bijvoorbeeld worden georganiseerd in ruimten strijdig met het bestemmingsplan. Zie de uitspraak met betrekking tot het verplicht handhavend optreden bij schuurfeesten. (ABRS 02-04-1999, Gst. 1999, 7103 m.nt. P.J.H.) Ook in het kader van de Wegenverkeerswet 1994 kan worden opgetreden in geval van parkeer- en verkeersoverlast. Feesten die gehouden worden in horecagelegenheden en niet behoren tot de normale bedrijfsvoering, bijvoorbeeld een optreden van een bekende diskjockey of een optreden van een bekende band, zijn op grond van artikel 2.2.2 (oud) vergunningplichtig. ABRS 11-01-2006, LJN-nr. AU9388 (Ghostship/Ghosthouse). Wanneer een feest al dan niet besloten ‘op of aan de weg’ plaatsvindt, is dit een vergunningplichtige activiteit omdat het plaatsvindt op doorgaans voor publiek toegankelijk gebied. Het feit dat het feest besloten is, dus niet voor publiek toegankelijk, doet daar niets aan af. Voorschriften met betrekking tot geluid in een inrichting zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit Milieubeheer. De artikelen 4:2 en 4:3 geven het college de bevoegdheid om collectieve festiviteiten aan te wijzen. Artikel 4:5 stelt regels ten aanzien van geluidhinder buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Tweede lid onder f: Wedstrijd op of aan de weg Als een wedstrijd wordt gehouden met voertuigen op wegen als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) dan is, naast artikel 10 juncto artikel 148 WVW 1994, artikel 2:11 van toepassing. De evenementenbepaling is namelijk van een geheel andere orde dan de wedstrijdbepalingen uit de Wegenverkeerswetgeving. De burgemeester kan op grond van andere motieven, zoals openbare orde, veiligheid in het algemeen en zedelijkheid en gezondheid, weigeren medewerking te verlenen aan het evenement, in dit geval de wedstrijd op de openbare weg. In die zin is de evenementenbepaling aanvullend op de wedstrijdbepalingen uit de Wegenverkeerswetgeving. Ook een wedstrijd met een motorvoertuig of bromfiets op een terrein dat niet behoort tot een weg als bedoeld in de WVW 1994 is vergunningplichtig op grond van artikel 2:11. Dit geldt ook voor andere wedstrijden op of aan de weg, hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld ‘vossenjachten’, droppings en dergelijke. Wegenverkeerswet 1994 Wedstrijden met voertuigen op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de WVW 1994 zijn op grond van artikel 10, eerste lid, WVW 1994 verboden. Het eerste lid van artikel 148 WVW 1994 bepaalt echter dat van dat verbod ontheffing kan worden verleend. Het verlenen van die ontheffing geschiedt: voor wegen onder beheer van het Rijk, door de minister van Verkeer en Waterstaat; voor andere wegen, door gedeputeerde staten; in afwijking hiervan wordt de ontheffing verleend door het college, indien de wegen waarvoor de ontheffing wordt gevraagd alle gelegen zijn binnen één gemeente. Artikel 1, onder a, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geeft aan wat onder voertuigen moet worden verstaan: fietsen, bromfietsen, invalidenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. Aan de ontheffing kan het college voorschriften verbinden om binnen redelijke grenzen een veilig verloop van de wedstrijd te waarborgen. Op basis van de WVW 1994 mogen ook milieumotieven een rol spelen bij het reguleren van het verkeer. In artikel 2, tweede en derde lid, WVW 1994 worden onder meer de volgende motieven worden genoemd: het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade; het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden; het bevorderen van een doelmatig of zuinig energiegebruik. Wanneer een wedstrijd onder auspiciën van een sportbond plaatsvindt, zal deze sportbond in veel gevallen zelf reglementen hebben opgesteld die de organisator van de wedstrijd moet naleven. Het niet naleven kan tuchtrechtelijke gevolgen voor de organisator hebben, bijvoorbeeld uit de bond gezet worden. De veiligheidseisen die de sportbonden stellen, zijn veelal voldoende om een veilig verloop van de wedstrijd in beginsel mogelijk te maken. Het college kan deze voorschriften van de sportbonden ook een publiekrechtelijk karakter geven door ze als voorschriften in de ontheffing op te nemen. Als de organisator deze voorschriften vervolgens niet naleeft en de sportbond zelf ook niet ingrijpt, kan uiteindelijk via een bestuursrechtelijke sanctie het houden van die wedstrijd alsnog verboden worden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel