In de ‘Verordening voorzieningen gehandicapten’ zijn een aantal beoordelingscriteria vastgelegd, die van toepassing zijn op alle aanvragen voor voorzieningen voor gehandicapten. Het gaat om de volgende criteria:
Aard voorzieningen
Op grond van de Wvg is de gemeente verantwoordelijk voor de verstrekking van woonvoorziening, vervoersvoorzieningen en rolstoelen aan gehandicapten, die zelfstandig wonen. Andere voorzieningen voor gehandicapten verstrekt de gemeente op grond van de Wvg niet.
Individueel gericht/maatwerk
De gemeente verstrekt een voorziening slechts, wanneer deze in overwegende mate op het individu gericht is. De enige uitzondering hierop vormt De Regiotaxi. In de gemeente Nijkerk is een collectief vervoersysteem, “De Regiotaxi” operationeel per 1 januari 2002. De gemeente verstrekt vanaf die datum vervoersvoorzieningen bij voorkeur in de vorm van Regiotaxigebruik.
Maatwerk betekent dat de te verstrekken voorzieningen zijn gericht op het individu en op diens specifieke behoeften en omstandigheden. Maatwerk betekent dan ook niet direct dat alle aanvragen zonder meer worden gehonoreerd.
Oorzaak handicap
Alleen voorzieningen, die noodzakelijk zijn in verband met de handicap en de deelneming van de gehandicapte aan het maatschappelijk verkeer, komen voor verstrekking in aanmerking. Daarbij wordt rekening gehouden met de verwachte ontwikkeling van de handicap: wanneer sprake is van een progressief ziektebeeld zal de gemeente proberen een voorziening te verstrekken, die langdurig kan voldoen.
Langdurig noodzakelijk
Niet bij voorbaat kunnen aanspraken bestaan op de door de aanvrager gewenste voorziening. De zorgplicht beperkt zich tot het bieden van toereikende hulp in verband met de beperkingen van gehandicapten. Slechts wanneer geen zicht is op spoedig herstel van ziekte of gebrek is een verstrekking in het kader van de Wvg aan de orde. De Thuiszorg verstrekt voorzieningen voor de korte termijn, maximaal 2 keer drie maanden.
Algemeen gebruikelijk
Wanneer een voorziening voor betrokkene als algemeen gebruikelijk beschouwd kan worden vindt geen verstrekking in het kader van de Wvg plaats. Waar de grens ligt tussen wat algemeen gebruikelijk is en wat niet wordt afgemeten aan de maatschappelijk norm. Bij de beoordeling van de vraag of een voorziening als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd spelen de volgende criteria een rol:
De gevraagde voorziening is niet specifiek een voor gehandicapten aangepast artikel.
Ook niet-gehandicapten schaffen dergelijke zaken aan voor eigen gebruik.
De gevraagde voorziening is tegen een aanvaardbare prijs in de reguliere handel verkrijgbaar en is niet duurder dan vergelijkbare andere producten.
In twee gevallen kan een uitzondering worden gemaakt:
De aanvrager heeft een uiterst laag inkomen (niveau bijstandsnorm), met name veroorzaakt door aantoonbare extra kosten die direct verband houden met de handicap. Deze extra kosten leiden tot een besteedbaar inkomen onder het minimum.
De aangevraagde voorziening betreft een acute, onverwachte vervanging van een gebruikelijke voorziening.
Het uitsluiten van algemeen gebruikelijke voorzieningen betekent eveneens dat gehandicapten met een inkomen vanaf 1,5 x het norminkomen geen vergoeding krijgen voor CVV, vervoerskosten of een bruikleenauto. Door invoering van de zogenaamde glijdende schaal komt een aanvrager wel voor een CVV/vervoerskostenvergoeding in aanmerking indien de inkomensgrens wordt overschreden met aantal zones respectievelijk bedrag dat lager is dan de vervoerskostenvergoeding. In dat geval wordt het verschil tussen de vervoerskostenvergoeding en de overschrijding van het norminkomen als aantal zones respectievelijk vergoeding uitgekeerd. De invoering van de glijdende schaal is niet van toepassing op de bruikleenauto. Speciale aanpassingen in verband met handicap aan algemeen gebruikelijke voorzieningen komen wel voor vergoeding in aanmerking.
Goedkoopst, adequate voorziening
De gemeente verstrekt de goedkoopste voorziening, die als adequaat beschouwd kan worden. De verstrekking kan hierdoor afwijken van de aangevraagde voorziening. In verband hiermee is onder meer besloten het verstrekkingenpakket zoveel mogelijk te standaardiseren.
Alleen wanneer een standaardvoorziening niet adequaat is, zal een verstrekking van een daarvan afwijkende voorziening aan de orde zijn. Bij de verstrekking van voorzieningen ligt het primaat bij bruikleen, zodat herverstrekking mogelijk is.
Een product kan weliswaar duurder zijn, maar daardoor langer meegaan. Uiteindelijk kan de prijs, over de levensduur gerekend, dan lager uitvallen.
Indien de gehandicapte een duurdere voorziening wil verkrijgen is dit toegestaan, mits deze voorziening adequaat is en zo nodig na inname herverstrekt kan worden. De meerkosten van een dergelijke ‘luxer’ voorziening komen voor rekening van de gehandicapte en worden bij beëindiging en inname van de verstrekking niet vergoed.
Andere wettelijke regelingen
Wanneer op grond van enige andere wettelijke regeling aanspraak op de voorziening bestaat vindt geen verstrekking in het kader van de Wvg plaats.
Integrale beoordeling
Wanneer een gehandicapte verschillende voorzieningen nodig heeft, zoekt de gemeente naar een combinatie van voorzieningen, die in zijn geheel als de goedkoopst adequate verstrekking beschouwd kan worden. Wat betreft het vragen van advies aan een extern deskundige, gelden de bepalingen van de Awb. Afdeling 3.3 Awb geeft in een vijftal artikelen enige algemene bepalingen over externe advisering. Artikel 3:5 geeft aan dat onder adviseur verstaan wordt: een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake de door een bestuursorgaan te nemen besluit en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan.
Bovendien is het op grond van artikel 5, lid 1 sub c. (wet WVG) vereist dat het inwinnen van deskundigenadvies is geregeld in de verordening. De gemeente dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in het kader van de Wvg advies uit te brengen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen externe en interne adviseur. In de verordening is niet opgenomen wie de adviseur is. Er kunnen immers meer adviseurs in verschillende en wisselende situaties zijn aangewezen.
De eisen te stellen aan een extern deskundige
Onder medische kennis dient te worden verstaan het beoordelen/interpreteren van de medische situatie en de vertaling van ziekte/stoornis naar beperking.
Onder sociale kennis wordt begrepen het inzicht in de gevolgen van de afwezigheid van functies (aanwezigheid van beperkingen). De ervaring van de belemmering in de leef- , woon- en werksituatie wordt met de handicap aangeduid. De adviseur moet het vermogen hebben om de beperkingen in de individuele situatie te vertalen naar handicaps. Door kennis te hebben van het individu, zijn omgeving en de rol van het individu hierin, is het mogelijk inzicht te krijgen in de aard en de mate van het probleem. Tevens is het dan reeds mogelijk om een globale vertaalslag te maken naar mogelijke oplossingen.
Onder ergonomische kennis wordt het volgende verstaan. De adviseur dient inzicht te hebben in de aanpassingsmogelijkheden van hulpmiddelen aan de mens. Dit vereist kennis over menselijke eigenschappen (anatomie, fysiologie, psychologie) en technische eigenschappen van hulpmiddelen.
De technische kennis betekent dat een adviseur “weet” moet hebben van onder andere bouwkundige (on)mogelijkheden. De opgesomde lijst van noodzakelijke kennisgebieden hoeft overigens niet geconcentreerd te zijn in één adviesfunctie.
Volledigheid en zorgvuldigheid
Het advies wordt door de gemeente getoetst op volledigheid en zorgvuldigheid. Een advies is in ieder geval zorgvuldig:
Indien aantoonbaar de mening van de aanvrager over de te verstrekken voorziening danwel afwijzing van de gevraagde voorziening is betrokken bij de advisering;
indien het oordeel van de behandelend arts of specialist is betrokken bij de advisering;
of indien blijkt waarom er eventueel geen contact is geweest met de behandelende sector of waarom het advies afwijkt van de visie van de behandelend arts of specialist;
het bestuursorgaan na kan gaan hoe het advies tot stand is gekomen;
de advisering inzichtelijk en transparant is;
wanneer de relevante aandoeningen worden benoemd en de belemmeringen in kaart zijn gebracht;
als uit het advies blijkt of er sprake is van een naar verwachting stationaire situatie dan wel progressief ziektebeeld;
indien uit het advies blijkt welke mate van urgentie aan de orde is voor de verlening van de gevraagde voorziening;
als de selectie van voorzieningen past binnen het verstrekkingenbeleid van de gemeente.
Inlichtingenplicht
In verschillende artikelen van de Verordening voorzieningen gehandicapten wordt gesproken over het verstrekken van gegevens door de gehandicapte, zowel om de aanvraag te kunnen beoordelen als het gaat om de gronden van weigering (8.1 en 8.4) het verschaffen van inlichtingen door te (laten) ondervragen of onderzoeken (8.1), het eigener beweging mededeling doen van feiten en omstandigheden betrekking hebbend op het recht (8.3) en het intrekken van een beschikking na blijk van onjuiste gegevens (8.4).
Om voor een Wvg-voorziening in aanmerking te komen en het recht hierop te kunnen behouden is de gehandicapte gehouden aan het college of aan de aangewezen instantie gegevens te (doen) verschaffen (Artikel 4:1 en artikel 4:2 Awb). Het recht op een voorziening eindigt bij verhuizing naar een andere gemeente. Bij overlijden van de gehandicapte moeten voorzieningen worden ingenomen. Ook wanneer voorzieningen niet meer worden gebruikt omdat ze niet meer nodig zijn of niet meer adequaat, moet dit worden gemeld.
De gehandicapte zal niet altijd zelf in staat zijn hieraan gevolg te geven of hieraan mee te werken. In deze gevallen wordt hij vertegenwoordigd door een wettelijk vertegenwoordiger of zaakwaarnemer.
Afschrijvingstermijn
Bij gelijkblijvend ziektebeeld verstrekt de gemeente bij vervolgaanvragen slechts een nieuwe voorziening, wanneer een voorziening technisch is afgeschreven. Dit zal van situatie tot situatie verschillen, omdat voorzieningen in verschillende omstandigheden worden gebruikt en er ook verschillen zijn in intensiteit, belasting en frequentie. Situaties waarin de voorziening, buiten de schuld van de gehandicapte om, kapot of verloren is gegaan, vormen hierop een uitzondering.
Gebruik van voorzieningen
Een voorziening die door de gemeente aan een gehandicapte in bruikleen wordt verstrekt, is met name bedoeld voor het gebruik in de directe woon- en leefomgeving. Indien voorzieningen tijdens bijvoorbeeld een vakantie worden meegenomen naar elders draagt de gehandicapte in beginsel zelf de verantwoordelijkheid voor de verzekering van de voorziening en voor het laten verhelpen van defecten en storingen. In geval achteraf blijkt dat er sprake was van normale reparatiekosten, die de bruiklener niet verweten kunnen worden, worden deze vergoed.
Een aanvullende voorziening voor het meenemen dan wel het gebruiken van een voorziening buiten de directe woon- en leefomgeving wordt in beginsel niet verstrekt.
Glijdende schaal
Door invoering van de zogenaamde glijdende schaal komt een aanvrager ook voor een vervoerskostentegemoetkoming in aanmerking indien de inkomensgrens wordt overschreden met een bedrag dat lager is dan de vervoerskostentegemoetkoming. In dat geval zal het verschil tussen de vervoerskostentegemoetkoming en de overschrijding van het norminkomen als tegemoetkoming worden uitgekeerd.
Betaalbaarstelling
De vervoerskostentegemoetkomingen worden per kwartaal achteraf uitbetaald.
Financiering achteraf
Tegemoetkoming voor kosten die de gehandicapte vóór de beslissing op de aanvraag van de voorziening heeft gemaakt is niet mogelijk, tenzij in een spoedeisende situatie hiertoe uitdrukkelijk schriftelijk toestemming is verleend. In de situatie dat de gehandicapte een voorziening aanvraagt nadat deze is gerealiseerd of een voorziening realiseert tussen het moment van aanvragen en het moment van beschikken, wordt het gevraagde geweigerd.
Pas op dat moment heeft het college alle op de aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit genomen over de te treffen voorziening. Er mag ook niet eerder dan na dit moment een aanvang worden gemaakt met de werkzaamheden voor een woningaanpassing.
Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening, die voor de beslissing is aangebracht, uiteindelijk afwijkt van wat het college als goedkoopst adequate voorziening beschouwen. Het college kan immers ook factoren laten meewegen die buiten de woonruimte van de gehandicapte zijn gelegen, zoals een beschikbare aangepaste woning elders, waardoor een woningaanpassing wellicht niet noodzakelijk is. Ook eerst nadat de gemeente Nijkerk een positieve beschikking voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten heeft afgegeven, komt een gehandicapte hiervoor in aanmerking. Pas nadat advies is verkregen en de gemeente Nijkerk een afweging heeft gemaakt welke oplossing het meest adequaat is kan de
gehandicapte tot verhuizing overgaan. Met deze voorwaarde wordt ervoor gezorgd dat de gemeente Nijkerk achteraf, nadat de gehandicapte reeds is verhuisd, niet met een claim voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten wordt geconfronteerd en dat de gehandicapte verhuist naar een niet adequate woning.
In bepaalde gevallen kan het echter nodig zijn dat de gehandicapte snel moet beslissen omdat de woning anders aan een andere woningzoekende wordt toegewezen. In deze, of andere urgente gevallen, is het mogelijk dat de gemeente Nijkerk na beoordeling van de aanpassingen in de woning of de aanpasbaarheid van de woning, vooruitlopend op een positief medisch advies schriftelijk toestemming geeft te verhuizen. Uitbetaling van de financiële tegemoetkoming vindt ook dan pas plaats nadat uit het advies de medisch-ergonomische noodzaak tot verhuizing is gebleken.
Verwijtbaar gedrag en verlies van het verleende
De aanvraag wordt ook geweigerd als het gaat om een tegemoetkoming of verlening die reeds eerder heeft plaatsgevonden, terwijl het de aanvrager verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid. Het moge duidelijk zijn dat deze regeling niet geldt indien de aanvrager geen schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is voor het verloren gaan, dient deze derde door de gehandicapte hiervoor aansprakelijk gesteld te worden om zodoende de kosten te kunnen verhalen. Indien bijvoorbeeld in een woning een traplift, een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende is verzekerd, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.
Hardheidsclausule
In uitzonderingsgevallen kan het college een voorziening toekennen, die afwijkt van de regels, normen en beleidslijnen, zoals die zijn vastgesteld in de Verordening voorzieningen gehandicapten en het daarbij behorende verstrekkingenboek. Het college dient in deze gevallen te motiveren waarom daarvan is afgeweken.
Hoofdstuk 1
Artikel 1.4
Algemene criteria bij de beoordeling van aanvragen
Onderdeel van Verstrekkingenboek voorzieningen gehandicapten 2005