Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.1

Algemene beoordelingscriteria

Onderdeel van Verstrekkingenboek voorzieningen gehandicapten 2005

In aanvulling op de criteria uit artikel 1.4 gelden voor aanvragen voor alle vervoersvoorzieningen de volgende regels en beoordelingscriteria: Voorwaarde voor de verstrekking van een vervoersvoorziening is dat de aard van de handicap het gebruik en/of het bereiken van het reguliere Openbaar Vervoer onmogelijk maakt. De gemeente verstrekt een vervoersvoorziening bij voorkeur in de vorm van collectief vervoer. Individuele verstrekkingen vinden alleen plaats wanneer de aard van de handicap het gebruik van collectief vervoer onmogelijk maakt en voor die verplaatsingsbehoefte, waarin het systeem voor collectief vervoer niet voorziet. Een vervoersvoorziening is bedoeld om de mobiliteitsbelemmeringen van de gehandicapte te verminderen. Het opheffen van de belemmeringen dient in algemene zin te worden nagestreefd, wat niet betekent dat dit redelijkerwijs altijd kan worden bereikt. Op grond van vaste jurisprudentie is de gemeente gehouden tegemoet te komen in de meerkosten tengevolge van de handicap, op basis van de zelfstandige individuele vervoersbehoefte in het kader van het leven van alle dag. Dit is een geobjectiveerd begrip dat niet behoeft overeen te komen met de vervoersbehoefte zoals die door de gehandicapte wordt ervaren. Indien een vervoersvoorziening de belemmeringen die bij het reizen in de directe woon- en leefomgeving worden ondervonden wegneemt, zo dat vervolgens op een aanvaardbare wijze deel genomen kan worden aan het maatschappelijk leven van alle dag zoals beschreven onder 7., wordt er van een adequate voorziening gesproken. Een combinatie van vervoersvoorzieningen kan wat dit betreft adequaat zijn. De goedkoopst adequate voorziening wordt doorgaans verleend. Vervoersvoorzieningen voor vervoer naar en van werk en school blijven onder de wet op de (re)ïntegratie arbeidsgehandicapten (Wet REA) vallen. Wanneer een gehandicapte zo’n voorziening ontvangt verstrekt de in die wetten genoemde uitvoeringsinstellingen ook een vervoersvoorziening voor de verplaatsingen in verband met de deelneming ook een vervoersvoorziening voor de verplaatsing in verband met de deelneming aan het maatschappelijk verkeer. Gehandicapten, die zo’n voorziening ontvangen, kunnen geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening op grond van de Wvg. Voor een vervoersvoorziening komt men in aanmerking indien er sprake is van deelname aan het maatschappelijk leven van alledag, waarbij het in beginsel gaat om verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving. Er moet dan wel sprake zijn van een zelfstandige individuele vervoersbehoefte in het kader van de verplaatsingen van alle dag. Dat wil zeggen dat de gehandicapte zelf, in meerdere of mindere mate vanuit zichzelf, zich moet willen verplaatsen voor het doen van alledaagse activiteiten, zoals het doen van boodschappen en winkelen, het onderhouden van sociale contacten met familie, vrienden, kennissen, het bezoeken van een patiënt in het ziekenhuis, het uitoefenen van recreatieve activiteiten zoals het deelnemen aan het verenigingsleven, het bezoeken van een zwembad, een theater, een bioscoop, etcetera; Bovenregionaal vervoer valt niet onder de gemeentelijke zorgplicht, tenzij er sprake is van dusdanig wezenlijk, uitsluitend door persoonlijk bezoek door de gehandicapte te onderhouden contact, dat zonder dit contact sociaal isolement optreedt. Voor een bewoners van een AWBZ-instelling worden de verplaatsingen in en om de instelling, alsmede het weekendvervoer beschouwt als de vervoersbehoefte. Van vereenzaming van een bewoner van een AWBZ-instelling is sprake indien: hij niet in staat is zelfstandig sociale contacten te leggen, op te bouwen en te onderhouden en daar door niet aan de activiteiten van de instelling kan deelnemen. èn daardoor in zodanige mate afhankelijk is van het ouderlijk huis dat dit als zijn thuis moet worden beschouwd. Voor het opheffen van de eenzaamheid en ter voorkoming van dreigende vereenzaming wordt in beginsel een aantal van 17 à 18 weekendbezoeken per jaar aan het ouderlijke milieu of een wezenlijk contact in beginsel als adequaat beoordeeld. Dit aantal is de uitkomst van een aanvaardbaar te achten patroon van eens per drie weken een bezoek aan “thuis”, eens per drie weken bezoek ontvangen in de instelling en eens per drie weken eventueel een weekend zonder familiecontact. Gehandicapten met een inkomen vanaf 1,5 x het norminkomen komen niet in aanmerking voor verstrekking van een bruikleenauto, omdat het eigendom van een auto bij dat inkomenspeil als algemeen gebruikelijk beschouwd kan worden. Als gevolg van de invoering van de glijdende schaal geldt bij vervoerskostentegemoetkoming een afwijkende regel: Indien het inkomen hoger is dan 1,5 x norminkomen wordt de financiële tegemoetkoming in de kosten van vervoer als bedoeld in artikel 3.1 lid 3 sub b, c, e en f van de verordening gekort met het bedrag van de overschrijding. De hoogte van de tegemoetkoming in de kosten van vervoer wordt afgestemd op de zelfstandige, resterende vervoersbehoefte: Indien er sprake is van een beperkte vervoersbehoefte wordt de vervoerskostentegemoetkoming daarop afgestemd. De vervoersbehoefte kan samenvallen met die van een partner. Bij een niet samenvallende vervoersbehoefte van partners wordt ten hoogste 150% van een enkele financiële tegemoetkoming verstrekt voor het gebruik van het individueel vervoer. Bij kinderen onder de leerplichtige leeftijd valt de vervoersbehoefte doorgaans samen met die van de ouders, zoals ook gebruikelijk is bij niet-gehandicapte kinderen. Voor kinderen tot vier jaar wordt daarom geen normbedrag beschikbaar gesteld. Voor vier- tot twaalfjarigen geldt een kortingspercentage van 25% omdat zij veelal door hun ouders worden begeleid zoals ook gebruikelijk is bij niet-gehandicapte kinderen. Indien op grond van andere verstrekte vervoersvoorzieningen reeds voor een deel in de vervoersbehoefte wordt voorzien kan op de norm een korting worden toegepast: Wanneer bij uitzondering een tegemoetkoming wordt verstrekt aanvullend op collectief vervoer bedraagt de korting 75%. Bij cumulatie van kortingen worden respectievelijk de korting voor een beperkte vervoersbehoefte, de partnerkorting en de leeftijdskorting toegepast. Indien begeleiding medisch noodzakelijk is kan een financiële tegemoetkoming hiervoor worden toegekend in geval de begeleider een aanzienlijke afstand moet afleggen om bij de gehandicapte te komen en begeleiding (bijna) uitsluitend door deze betrokkene mogelijk is. De financiële tegemoetkoming voor de kosten van begeleiding wordt gegeven voor de extra kosten van begeleiding, welke worden veroorzaakt doordat de begeleider reiskosten moet maken voor het halen en brengen van de gehandicapte. De tegemoetkoming zal dan bestaan uit twee maal de enkele reisafstand van de begeleider naar de gehandicapte. Hiervoor zijn de voorkomende situaties: Het begeleiden in het Openbaar vervoer (OV). Met een OV-begeleiderskaart kan gratis begeleid worden. Voor zover er meerkosten ontstaan doordat de gehandicapte regelmatig afgehaald en weggebracht moet worden (zodat ten behoeve van begeleiding zonder gehandicapte gereisd moet worden) kan een begeleidingskosten-tegemoetkoming gebaseerd op OV tarief aangevraagd worden. Het begeleiden in De Regiotaxi. Op grond van een medische indicatie kan gratis meegereisd worden. De gegevens hieromtrent zijn in het persoongebonden betalingssysteem opgenomen. Ook dan is bij aantoonbare meerkosten op grond van het zonder de gehandicapte reizen zoals onder 1. een begeleidingskosten-tegemoetkoming op basis van OV tarief mogelijk. Het begeleiden middels het gebruik van een eigen auto of (rolstoel)taxi. Voor begeleiding in de individuele (rolstoel) taxi en bij gebruik van een eigen auto dan wel een auto van derden kan eveneens een begeleidingskosten-tegemoetkoming toegekend worden in geval gebruik wordt gemaakt van de auto van de begeleider en deze begeleider een aanzienlijke afstand moet afleggen om bij de gehandicapte te komen en begeleiding (bijna) uitsluitend door deze betrokkene mogelijk is. De begeleidingskosten gebaseerd op het aantal kilometers gelegen tussen de woning van de begeleider en woning van de gehandicapte, tegen het kilometertarief, dat jaarlijks door de Uitvoering Werknemersverzekeringen (Uwv) wordt vastgesteld. Bij de vaststelling van de hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van begeleiding wordt rekening gehouden met het feit dat de gehandicapte ook bezoek kan ontvangen. Indien begeleiding niet medisch noodzakelijk is (doch uitsluitend wenselijk, of sociaal noodzakelijk vanwege begeleiding op de plaats van bestemming) wordt hiervoor geen tegemoetkoming verstrekt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel