Naar hoofdinhoud

Artikel 2.

Belangenverstrengeling

Onderdeel van Gedragsverordening bestuurlijke integriteit collegeleden

Een bestuurder zal in zijn handelen belangenverstrengeling voorkomen en alert zijn op het zelfs maar wekken van de schijn van belangenverstrengeling. Een bestuurder doet opgave van zijn financiële belangen in ondernemingen en organisaties waarmee de gemeente zakelijke betrekkingen onderhoudt. De opgave is openbaar en door derden te raadplegen. Bij privaatpublieke samenwerkingsrelaties voorkomt de bestuurder (de schijn van) bevoordeling in strijd met eerlijke concurrentieverhoudingen. Een oud-bestuurder wordt het eerste jaar na de beëindiging van zijn ambtstermijn uitgesloten van het tegen beloning verrichten van werkzaamheden voor de gemeente. Een bestuurder die familie- of vriendschapsbetrekkingen of anderszins persoonlijke betrekkingen heeft met een aanbieder van diensten aan de gemeente, onthoudt zich van deelname aan de besluitvorming over de betreffende opdracht. Een bestuurder neemt van een aanbieder van diensten aan de gemeente geen faciliteiten of diensten aan die zijn onafhankelijke positie ten opzichte van de aanbieder kan beïnvloeden. Een bestuurder is zeer terughoudend in het zelf voeren van onderhandelingen. Waar een bestuurder deelneemt aan onderhandelingen is dat steeds in aanwezigheid van een ambtelijk medewerker. Een bestuurder die in een onderhandelingssituatie terecht komt vraagt daartoe tevoren nadrukkelijk mandaat van het college. Dit mandaat wordt in de notulen vastgelegd. De onderhandelingsgesprekken en de resultaten van de onderhandelingen worden aan het college teruggekoppeld en eveneens duidelijk en reproduceerbaar in de notulen opgenomen.

Rechtspraak bij dit artikel