Naar hoofdinhoud

afdeling 3

Artikel 10

- toezicht

Onderdeel van Privacyverordening 2002

1.. Op de inrichting en de werking van een verwerking van persoonsgegevens en de naleving van de daartoe betrekkelijke voorschriften wordt toezicht uitgeoefend door burgemeester en wethouders. 2.. Voor de uitoefening van hun toezichthoudende functie worden burgemeester en wethouders terzijde gestaan door een accountantsdienst. Deze beschikt voor dit doel over alle bevoegdheden die daarvoor redelijkerwijs noodzakelijk zijn te achten. Ingeval van twijfel of verschil van mening daaromtrent beslissen burgemeester en wethouders. 3.. De verantwoordelijke en de personen die bij de verwerking van persoonsgegevens zijn betrokken verstrekken desgevraagd de accountantsdienst alle inlichtingen en verlenen haar alle overige medewerking die zij voor de uitoefening van haar taak behoeft. 4.. De medewerkers van de accountantsdienst hebben toegang tot alle ruimten, waar een verwerking van persoonsgegevens plaatsvindt. Zij zijn bevoegd apparatuur, programmatuur, boeken en bescheiden te onderzoeken en zich de werking van apparatuur en programmatuur te doen tonen. 5.. De accountantsdienst rapporteert over de bevindingen aan het diensthoofd waaronder de verwerking ressorteert, en aan en dient dit diensthoofd en het college van advies over alle zaken, die de verwerking van persoonsgegevens betreffen, onder meer over te nemen maatregelen, die een goede werking van de verwerking van persoonsgegevens moeten helpen waarborgen.

Rechtspraak bij dit artikel