Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2A

Artikel 2A.10

Gronden voor intrekking vergunning

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening 1995

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6. van deze verordening, kan het bevoegde bestuursorgaan de vergunning voor een speelgelegenheid intrekken, indien: de exploitant in strijd handelt met hetgeen hij in het bedrijfsplan als bedoeld in artikel 2A.3 heeft opgenomen; het aanvullend bedrijfsplan als bedoeld in artikel 2A.4, derde lid, onvoldoende garanties geeft dat de Wet op de kansspelen niet zal worden overtreden; het bepaalde in de Wet op de kansspelen wordt overtreden; in de speelgelegenheid strafbare feiten plaatsvinden die een bedreiging vormen voor de veiligheid of orde in de speelgelegenheid; de openbare orde, de veiligheid, of het woon- en leefklimaat door de aanwezigheid van de speelgelegenheid wordt verstoord of benadeeld; de exploitant of beheerder niet langer voldoet aan de in artikel 2A.6 gestelde eisen; de exploitant of beheerder de in artikel 2A.8 neergelegde verplichtingen niet of onvoldoende nakomt; de exploitant of beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel