Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 5 › Afdeling 5

Artikel 5.5.1

Verbod vuur te stoken

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening 1995

1.. Het is verboden in de open lucht vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2.. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 3.. De ontheffing bedoeld in het tweede lid kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde en veiligheid; ter bescherming van de woon- en leefomgeving; ter bescherming van de flora en de fauna; ter voorkoming van hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu door rook, roet, stof, walm of stank. 4.. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet: voor zover op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn; voor zover de provinciale milieuverordening van toepassing is; voor zover artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, Wetboek van strafrecht van toepassing is; voor verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke en voor vuur ten behoeve van koken, bakken en braden, indien dat geen gevaar oplevert voor de omgeving; voor het verbranden van niet van derden afkomstig takkenhout en snoei- of oogstafval mits van dat verbranden tenminste 3 dagen en ten hoogste 2 weken tevoren melding is gedaan aan burgemeester en wethouders; burgemeester en wethouders kunnen een afwijkende termijn toestaan; het verbranden niet plaats vindt binnen of nabij een bebouwde kom; het verbranden niet plaats vindt binnen een afstand van 50 meter van bos, heide- of natuurterreinen, hoogspanningskabels, lantaarnpalen, opstallen e.d.; het verbranden niet plaatsvindt in de onmiddellijke nabijheid van bomen, houtwallen of andere houtopstanden; het verbranden niet plaatsvindt tussen zonsondergang en zonsopgang, behoudens na zonsondergang op Eerste Paasdag; op de brandstapel zich geen andere stoffen bevinden dan takkenhout en snoei- of oogstafval; bij het ontsteken uitsluitend van niet-verontreinigende stoffen gebruik wordt gemaakt, die onmiddellijk voorafgaand aan het ontsteken op de brandstapel zijn aangebracht; het vuur onder voortdurend toezicht staat van een meerderjarig persoon; het vuur geen zodanige omvang heeft of kan krijgen dat het buiten controle zou kunnen geraken; het verkeer of omwonenden niet worden gehinderd door rookontwikkeling; de verbrandingsresten binnen een week op een milieuhygiënisch verantwoorde wijze worden opgeruimd; het verbranden ook overigens geen gevaar of hinder oplevert voor de omwonenden, de omgeving of het milieu; voor het hebben van een recreatief kampvuur van beperkte omvang dat geen gevaar oplevert voor de omgeving, mits daarvan ten hoogste een week tevoren schriftelijk dan wel mondeling melding is gedaan aan burgemeester en wethouders.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel