Bij de uitkeringsgerechtigde die arbeid in deeltijd verricht
waarmee een inkomen wordt verworven dat minder bedraagt dan de
voor de uitkeringsgerechtigde van toepassing zijnde
bijstandsnorm, kan vrijlating van inkomsten uit arbeid
plaatsvinden zoals bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder n.
van de WWB.
Bij de alleenstaande ouder of alleenstaande ouder met een of
meer meerderjarige kinderen die algemene bijstand ontvangt, zijn
inkomsten uit arbeid tot 12,5 procent van deze inkomsten vrij te
laten met een maximum van € 120,- per maand, geduren een
aaneengesloten periode van maximum 30 maanden ingeval:
hij de volledige zorg heeft voor een tot zijn last
komend kind tot 12 jaar,
de periode van zes aaneengesloten maanden, bedoeld in
artikel 31, tweede lid, onder n. van de WWB is
vestreken.
De vrijlating van inkomsten als bedoeld in het eerste en tweede
lid vindt plaats als dit, naar het oordeel van het college,
bijdraagt aan arbeidsinschakeling en de betreffende activiteiten
in een plan van aanpak zijn vastgesteld.
Hoofdstuk 4
Artikel 31
Inkomstenvrijlating
Onderdeel van Reïntegratieverordening WWB, IOAW, IOAZ en WIJ gemeente Overbetuwe 2010 (eerste wijziging)