Aflossing van de geldlening vindt plaats gedurende ten hoogste tien jaar.
De aflossing vangt aan op het moment van beëindiging van de uitkering en vindt maandelijks plaats.
Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van een jaar vastgesteld.
Bij een inkomen als bedoeld in artikel 32 WWB en artikel 7 WIJ dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde uitkeringsnorm, bedoeld in de artikelen 19 en 45 WWB en artikelen 24 en 25 WIJ, wordt geen aflossing gevraagd.
Als de omstandigheden daartoe aanleiding geven stelt het college, zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast.
Bij de beoordeling van de omstandigheden, als bedoeld in het vijfde lid, wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van belanghebbende komende, bijzondere bestaanskosten. Deze worden in mindering gebracht op het inkomen.
Als belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van tien jaar door zijn schuld nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd.
Artikel 6
Vaststelling hoogte aflossing
Onderdeel van Regeling krediethypotheek en pandrecht gemeente Overbetuwe 2011