Eerste lid
De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de bijstandaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt, de gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door het opleggen van een maatregel.
Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen blijken, zoals:
een onverantwoorde besteding van vermogen;
geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;
het verwijtbaar verliezen van een inkomstenbron.
Tweede lid
In het tweede lid wordt aangegeven dat tot tekortschietend besef van verantwoordelijkheid tevens wordt gerekend het voorafgaand aan de aanvraag en door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid dan wel het verwijtbaar verliezen van een andere inkomstenbron.
Volgens vaste jurisprudentie kan het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid namelijk niet worden teruggevoerd op artikel 9 en 10 van deze verordening, maar op artikel 12, omdat deze gedraging valt onder het begrip tekortschietend besef van verantwoordelijkheid (artikel 18 WWB), zie onder meer LJN BN9720, CRvB 06.10.2010.
In het kader van de WWB kan het door eigen toedoen verwijtbaar niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid worden gezien als tekortschietend besef van verantwoordelijkheid op basis waarvan de bijstand kan worden afgestemd. De IOAW/IOAZ kennen een dergelijke bepaling niet. Artikel 20, lid 1 IOAW, dan wel artikel 20, lid 2 IOAZ geeft het college echter de bevoegdheid de IOAW/IOAZ- uitkering tijdelijk of blijvend te weigeren als aan bepaalde voorwaarden niet is voldaan. Daarbij moet gedacht worden aan de volgende situaties:
wanneer de werknemer bij het sluiten van de overeenkomst de werkgever heeft misleid door het vertonen van valse of vervalste getuigschriften, of deze opzettelijk valse inlichtingen heeft gegeven omtrent de wijze waarop zijn vorige arbeidsovereenkomst is geëindigd;
wanneer hij in ernstige mate de bekwaamheid of geschiktheid blijkt te missen tot de arbeid waarvoor hij zich heeft verbonden;
wanneer hij zich ondanks waarschuwing overgeeft aan dronkenschap;
wanneer hij zich schuldig maakt aan diefstal, verduistering en bedrog;
wanneer hij de werkgever, diens familieleden of huisgenoten of zijn medewerkers mishandelt, grovelijk beledigt of op ernstige wijze bedreigt;
wanneer hij de werkgever, diens familieleden of huisgenoten, of zijn medewerkers verleidt of tracht te verleiden tot handelingen, strijdig met de wetten of de goede zeden;
wanneer hij opzettelijk, of ondanks waarschuwing roekeloos, eigendom van de werkgever beschadigt of aan ernstig gevaar blootstelt;
wanneer hij opzettelijk, of ondanks waarschuwing roekeloos, zichzelf of anderen aan ernstig gevaar blootstelt;
wanneer hij bijzonderheden aangaande de huishouding of het bedrijf van de werkgever, die hij behoorde geheim te houden, bekendmaakt;
wanneer hij hardnekkig weigert te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten, hem door of namens de werkgever verstrekt;
wanneer hij op andere wijze grovelijk de plichten veronachtzaamt, welke de arbeidsovereenkomst hem oplegt;
wanneer hij door opzet of roekeloosheid buiten staat geraakt of blijft de bedongen arbeid te verrichten.
Belanghebbende kan dan terugvallen op een WWB-uitkering, waarbij de vermogensgrens wordt toegepast.
Omdat deze situaties zich vrijwel nooit voordoen en naar verwachting de IOAW in 2014 zal worden afgeschaft zijn hiervoor geen beleidsregels opgesteld, maar wordt een individueel besluit genomen als één van bovenstaande heeft geleid tot een aanvraag IOAW/IOAZ.
Derde lid
In het derde lid worden de gedragingen in 4 categorieën onderverdeeld, afhankelijk van het zogenaamde “benadelingbedrag”. Het benadelingbedrag is in dit geval de omvang van het vermogen of de voorziening waarmee de betrokkene gedurende kortere of langere tijd buiten de bijstand zou zijn gebleven. Bij de vaststelling van de hoogte van de maatregel dient beoordeeld te worden hoe lang betrokkene onafhankelijk van bijstand zou zijn gebleven, indien hij wel voldoende besef van verantwoordelijkheid had betoond.
Vierde lid
Evenals in artikel 11 worden hier de standaardpercentages van de maatregelen omschreven. Dit laat onverlet de mogelijkheid voor het college om hiervan af te wijken op basis van de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Bij een benadelingbedrag van meer dan € 10.000 euro wordt een individueel besluit genomen.
Vijfde lid
Het is denkbaar dat het tekortschietend besef van verantwoordelijkheid niet heeft geleid tot benadeling of dat het benadelingbedrag niet (meer) kan worden vastgesteld. In dergelijke gevallen kan het gewenst worden geacht toch een maatregel op te leggen.
Zesde lid en zevende lid
Zie de toelichting onder artikel 9 tweede en derde lid.
Achtste lid
In lid 8 is vastgelegd dat de bijzondere bijstand en de langdurigheidstoeslag worden geweigerd bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Vaststaan moet dan wel dat er een causaal verband tussen beroep op deze voorzieningen is en de gedraging die uiting geeft aan tekortschietend verantwoordelijkheidsbesef. Dat kan bijv. het geval zijn bij het onverantwoord interen van een groot vermogen.
Hoofdstuk 3.
Artikel 12.
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Handhaving- en Afstemmingverordening WWB/ Bbz/IOAW/IOAZ 2013 gemeente Goes