Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 7

Artikel 7

Onderdeel van Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2013

Ontbreekt de verwijtbaarheid bij belanghebbende, dan kan geen maatregel worden opgelegd. Deze situatie is bijvoorbeeld denkbaar als belanghebbende naar aanleiding van een oproep ergens had moeten verschijnen maar als gevolg van een ziekte of een ongeval niet aan de oproep kon voldoen en ook niet in de gelegenheid was zich tijdig af te melden. Er is geen keuzevrijheid: ontbreekt de verwijtbaarheid, dan wordt geen maatregel opgelegd en dus ook geen waarschuwing. Wat onder dringende redenen moet worden verstaan wordt niet nader omschreven. Uit de schaarse jurisprudentie over dit begrip komt naar voren dat sprake moet zijn van een situatie waarin oplegging van de maatregel leidt tot onafwendbare ernstige psychische of lichamelijke problemen bij belanghebbende, die een levens-bedreigende situatie tot gevolg zouden hebben. Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder 2 geregeld dat het dagelijks bestuur geen maatregelen opgelegd voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. Het doen van een schriftelijke mededeling dat het dagelijks bestuur afziet van het opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband met eventuele recidive.

Rechtspraak bij dit artikel