De Subsidie wordt, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 11.2, 11.3, 11.4 en 11.5, verleend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
de subsidieaanvraag wordt ingediend door of namens de eigenaar of de erfpachter;
van een in gebruik zijnd Bedrijfsterrein;
waarvan de Verwerving door de onder a bedoelde eigenaar of erfpachter vóór 1 januari 1995 heeft plaatsgevonden;
welk Bedrijfsterrein op het tijdstip van het indienen van een aanvraag om Subsidie ernstig verontreinigd is in de zin van artikel 29 Wbb;
welke ernstige verontreiniging voor wat betreft een percentage van 80% of meer vóór 1 januari 1975 is veroorzaakt, hetgeen wordt bepaald op basis van de Circulaire Ouderdomsbepaling;
van welk Bedrijfsterrein de sanering van de verontreiniging
ofwel milieuhygiënisch urgent is in de zin van artikel 37 Wbb, en de in de beschikking ernst en urgentie in de zin van de artikelen 29 en 37 Wbb op grond van de Circulaire Bepaling Saneringstijdstip voor Gevallen van Ernstige Verontreiniging waarvoor Sanering Urgent is, Staatscourant 1997, 47, dan wel de voor deze Circulaire in de plaats komende wet- en/of regelgeving, opgenomen urgentietermijn op de dagtekening van de aanvraag voor de Subsidie, zoals bedoeld in artikel 6, onder b., wordt ingediend nog niet is verstreken;
ofwel verplicht is als gevolg van de activiteiten die ter plaatse van het Bedrijfsterrein worden verricht;
van welk Bedrijfsterrein de ernst van de verontreiniging zoals bedoeld onder d en e en (het ontbreken van) de urgentie van de sanering zoals bedoeld onder f blijkt uit een beschikking van het bevoegde gezag in de zin van de Wbb;
voor welk Bedrijfsterrein de aanvraag voor de Subsidie is ingediend vóórdat met de sanering van het Bedrijfsterrein een aanvang is gemaakt overeenkomstig een saneringsplan waarmee ingevolge het bepaalde in artikel 39, lid 2, Wbb bij beschikking is ingestemd en deze beschikking in werking is getreden in de zin van het bepaalde in artikel 20.3 van de Wet milieubeheer;
terwijl het College kan instemmen met de begroting van de met de sanering van het Bedrijfsterrein verbonden Saneringskosten en Netto-saneringskosten, zoals bedoeld in artikel 6 onder g.
In afwijking van het bepaalde in artikel 8.1, onder c, wordt de Subsidie, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8.3 en de voorwaarden die zijn neergelegd in artikel 8.1, onder d tot en met i, eveneens verleend aan de in artikel 8.1, onder a, bedoelde eigenaar of erfpachter van een in gebruik zijnd Bedrijfsterrein waarvan de Verwerving na de datum van inwerkingtreding van deze Verordening in de zin van artikel 20 heeft plaatsgevonden, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
deze eigenaar of erfpachter overlegt als bijlage bij het in artikel 5 bedoelde aanvraagformulier aan het College een Verklaring overeenkomstig een door het College opgesteld model waaruit blijkt dat deze eigenaar of erfpachter zich op de datum van Verwerving jegens het College heeft verplicht het Bedrijfsterrein te (doen) saneren; terwijl
uit de onder a bedoelde Verklaring tevens blijkt dat de eigenaar of erfpachter naar genoegen van het College financiële zekerheid heeft gesteld voor het bedrag ter grootte van de Saneringskosten verminderd met de mogelijke aanspraak op de Subsidie die zou hebben te gelden voor de eigenaar of erfpachter van wie hij het Bedrijfsterrein heeft verworven.
Indien de eigenaar of erfpachter van een in gebruik zijnd Bedrijfsterrein aan de voorwaarden in de eerste volzin van deze bepaling voldoet, wordt hij bij de bepaling van de hoogte van de Subsidie zoals bedoeld in artikel 9 gelijk gesteld met degene van wie hij rechtstreeks de eigendom of de erfpacht heeft verworven.
8.3.Het in artikel 8.1, onder h, bedoelde saneringsplan heeft betrekking op het gehele geval van ernstige verontreiniging zoals bedoeld in artikel 1 Wbb.
In afwijking van de vorige volzin mag in milieuhygiënisch urgente gevallen, waarbij de verontreiniging zich over meer percelen uitstrekt dan slechts het Bedrijfsterrein, het saneringsplan betrekking hebben op uitsluitend de verontreiniging ter plaatse van het bedrijfsterrein en daarmee op een deelsanering indien aan de navolgende voorwaarden is voldaan:
de bron van de verontreiniging bevindt zich niet op het bedrijfsterrein; en
een gezamenlijke aanpak van de sanering van het gehele geval van de verontreiniging is naar het oordeel van het bevoegde gezag in de zin van de Wbb niet mogelijk; en
naar het oordeel van het bevoegde gezag in de zin van de Wbb bestaan geen milieuhygiënische bezwaren tegen een deelsanering.
De in de vorige alinea geformuleerde uitzondering geldt uitdrukkelijk niet in het geval de sanering van de verontreiniging van het Bedrijfsterrein uitsluitend verplicht is als gevolg van de activiteiten die ter plaatse van het Bedrijfsterrein worden verricht, zoals bedoeld in artikel 8.1, onder f, tweede ?, tenzij het een dermate omvangrijk geval van diffuse verontreiniging betreft dat het eisen van de sanering van het gehele geval van verontreiniging naar het oordeel van het bevoegde gezag kennelijk onredelijk zou zijn.
Hoofdstuk 3
Artikel 8
De voorwaarden voor de Subsidie
Onderdeel van Subsidieverordening Bodemsanering Bedrijfsterreinen