De hoogte van het persoonsgebonden budget voor een sportrolstoel zoals bedoeld in artikel 27 sub d van de verordening, wordt bepaald door de aanschafwaarde van de voorziening vermeerderd met 20% van de aanschafwaarde voor te verwachten reparatie- en onderhoudskosten en bedraagt maximaal € 2.450,--. De voorziening wordt ten hoogste eens in de drie jaar verstrekt.
Het eerste lid van dit artikel geldt ook voor alle aangepaste vervoermiddelen die voor sport gebruikt worden.