**1..** Indien een belanghebbende voorafgaand aan of tijdens een uitkeringsverstrekking een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB, kan een maatregel worden opgelegd die wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand.
**2..** Onverminderd artikel 7, tweede lid, wordt de maatregel op de volgende wijze vastgesteld:
bij een periode van 3 maanden of korter: 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand;
bij een periode van 3 tot 6 maanden: 10% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden;
bij een periode van 6 maanden en langer: 10% van de bijstandsnorm gedurende zes maanden.
**3..** In afwijking van het eerst lid en tweede lid bedraagt de verlaging bij het onverantwoord besteden van vermogen:
bij een benadelingsbedrag tot € 1000,-: 10% van de bijstandsnorm;
bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,-: 20% van de bijstandsnorm;
bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-: 40% van de bijstandsnorm;
bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer: 100% van de bijstandsnorm.
Hoofdstuk 3
Artikel 16
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Verordening maatregelen, fraude en verrekenen bestuurlijke boete inkomensvoorzieningen