In artikel 54 van de WWB, artikel 17 van de IOAW en IOAZ is de bevoegdheid neergelegd om het recht op uitkering op te schorten, indien de belanghebbende de voor de verlening van de uitkering van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt. Of dat de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking heeft verleend. Ook regelt dit artikel de bevoegdheid tot herzien en intrekken van de uitkering. Ter bevordering van de rechtszekerheid, is het wenselijk de bevoegdheid in regels nader uit te werken. Daarbij zal onder meer moeten worden aangegeven wanneer het recht op uitkering wordt opgeschort. De bevoegdheid tot het stellen van nadere regels wordt om redenen van efficiëntie gedelegeerd aan burgemeester en wethouders.
Hoofdstuk 2
Artikel 4
Nadere regels opschorten, herzien en intrekken van uitkering
Onderdeel van Verordening maatregelen, fraude en verrekenen bestuurlijke boete inkomensvoorzieningen