Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een
vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:40m intrekken
of wijzigen indien:
door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt
te worden aangetast; of
door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de
wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt
te worden beïnvloed; of
de voorschriften verbonden aan de vergunning of de plichten
voortvloeiend uit deze afdeling niet worden nageleefd; of
de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht
levensgedrag is; of
de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige
nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of
strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat
of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden
gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;
of
er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of
plaatsvinden; of
er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam
zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de
Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
of
de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn
beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie;
of
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke
toestand niet met het in de vergunning vermelde in
overeenstemming is; of
de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend
bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een
geldende beheersverordening, een geldend
voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een
gebiedsplan.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 10b
Artikel 2:40o