Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of
anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt
gebruikt:
langer dan op drie achtereenvolgende dagen te
plaatsen of te hebben op een door het college
aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel
buitensporig is met het oog op de verdeling van
beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het
uiterlijk aanzien van de gemeente;
op een door het college aangewezen plaats te
parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is
voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover
in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het
provinciale wegenverordening of de Provinciale
landschapsverordening.
Hoofdstuk 5 › Afdeling 1
Artikel 5:6