Het eigenarendeel van de rioolheffing wordt geheven naar een vast
bedrag per perceel.
Het gebruikers deel van de rioolheffing wordt geheven naar het
aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt
afgevoerd.
Het aantal kubieke meters afvalwater, als bedoeld in het tweede lid,
wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in de laatste
aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode
naar het perceel is toegevoerd of is opgepompt. Ingeval de
verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van 12 maanden,
wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald.
Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een
volle maand gerekend.
Indien er geen sprake is van een voorafgaande verbruiksperiode wordt
de hoeveelheid water bepaald naar het werkelijke verbruik (eventueel
herleid naar een periode van 12 maanden) op moment van aangifte of,
indien daarover ook geen gegevens bekend zijn, door schatting.
Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die
pompinstallatie zijn voorzien van een:
watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan
worden afgelezen, of
bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een
pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest
kan worden afgelezen.
De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de
hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere
wettelijke bepaling.
De op voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of
opgepompt water, of de op grond van het vierde lid bepaalde
hoeveelheid water, wordt verminderd met de hoeveelheid water die
niet is afgevoerd.
Artikel 5
Maatstaf van heffing
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2010