De gezagvoerder, die ten behoeve van een vaartuig van de kade gebruik maakt, is gehouden de bevelen op te volgen, die door het bevoegde gezag worden gegeven in het belang van de orde en veiligheid, omtrent:
de plaats, waar hij met zijn vaartuig moet liggen;
het verhalen of verleggen van zijn vaartuig;
het laden en lossen van zijn vaartuig, voor zover daartoe werkzaamheden aan of op de kade geschieden;
het in- en uitvaren van de haven en het verlaten hiervan met zijn vaartuig.