Lid 1
Uit de Wet maatschappelijke ondersteuning kan een integrale afweging, een individuele benadering en het leveren van maatwerk feitelijk al worden gedestilleerd. Ook kan die benaderingswijze worden opgemaakt uit de toelichting, algemeen en artikelsgewijs, van de wet, respectievelijk de beantwoording van het kabinet op vragen van de Tweede Kamer bij de invoering van de Wet. Niettemin is geconstateerd, dat er behoefte aanwezig is om die uitgangspunten op te nemen in de Verordening.
Een integrale benadering houdt in, dat naar meer dan alleen de claim wordt gekeken. Dat kan inhouden dat, in plaats van de claim, andere voorzieningen worden getroffen. Al naar gelang de problematiek kunnen die voorzieningen vallen onder de voorzieningen als bedoeld in deze Verordening of vallen binnen een geheel andere context, bijvoorbeeld: het maatschappelijk werk, een ondersteunende organisatie of anderszins.
lid 2
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
lid 3
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Lid 4 (onderdeel a.)
Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan, in tijd uitgedrukt, gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerk is in beide genoemde situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap op het moment van de aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de aanvrager. In dit kader is de prognose van groot belang. Zegt de prognose dat de betrokkene na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag men van kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij periodes van verbetering en terugval elkaar opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt bij het antwoord op de vraag of er al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening een belangrijke rol. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk terwijl vast staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening in het kader van deze verordening in aanmerking komt. Betrokkene kan een beroep doen op de hulpmiddelendepots van de Thuiszorgorganisaties die opgezet zijn in het kader van de Awbz. Uit deze depots kan men twee maal drie maanden een hulpmiddel gratis lenen, welke periode kan worden verlengd, zij het dat dan huur is verschuldigd. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig zal van situatie tot situatie verschillen. In het derde lid is een uitzondering opgenomen voor kortdurende huishoudelijke hulp.
Lid 4 (onderdeel b.)
Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen, naar objectieve maatstaven gemeten, zowel adequaat als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Het is aan het college om, zo nodig op basis van een advies, te bepalen of een voorziening adequaat is.
Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten wordt bepaald.
Ook is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en daardoor goedkoper is. Voor wat betreft het kwaliteitsniveau wordt uitgegaan van een verantwoord niveau. Het is uiteraard wel mogelijk een adequate voorziening te verstrekken, die duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening, mits de aanvrager bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip “goedkoopst adequaat” geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid.
Lid 4 (onderdeel c.)
Het probleem van het individu wordt op grond van de wet gecompenseerd. Dat individuele probleem staat dan ook centraal bij de beoordeling van de aanvraag voor een voorziening op grond van de wet.
Lid 5 (onderdeel a.)
Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen waarover een met de aanvrager vergelijkbare persoon, ook los van de beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Dit beginsel wordt al tientallen jaren tijd gehanteerd in de sociale wetgeving (AAW/WAO, voormalige Wet-Rea, Wvg) en heeft tot een omvangrijke jurisprudentie geleid, die is vastgelegd in de definitie van dit begrip, zoals die is opgenomen in artikel 1, onder n, van deze verordening.
Wat in een concreet geval algemeen gebruikelijk is, hangt in beginsel af van de aard van de gevraagde voorziening. Daarnaast speelt de (financiële) situatie van de aanvrager een rol, bezien in relatie tot de maatschappelijke normen op het moment van de aanvraag. Met name die financiële situatie van de aanvrager kan leiden tot een uitzondering op het beginsel, dat geen algemeen gebruikelijke voorzieningen worden verstrekt. Uit de boven aangehaalde jurisprudentie blijkt immers, dat een dergelijke uitzondering zich voordoet als het inkomen van de aanvrager -mede ten gevolge van aantoonbare kosten ten gevolge van zijn beperking- onder het in diens situatie geldende bijstandsniveau dreigt te geraken. Een andere uitzondering is het ten gevolge van een plotseling optredende handicap moeten vervangen van zaken die nog niet zijn afgeschreven; dat zou zonder die handicap immers ook niet gebeuren.
Lid 5 (onderdeel b.)
Dit artikel moet opgenomen worden, om te voorkomen dat er aanvragen binnenkomen bij gemeenten waar de aanvrager niet woonachtig is. Voor deze bepaling is aangesloten bij het Burgerlijk Wetboek en bij artikel 40 lid 1 Wet werk en bijstand.
Lid 5 (onderdeel c.)
In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en vragen zij na het optreden van een beperking voorzieningen aan, die in hun situatie kunnen leiden tot de conclusie dat het optreden van beperkingen geen meerkosten met zich meebrengt. Daarvoor is deze onder c genoemde bepaling bedoeld.
Lid 5 (onderdeel d.)
Onder d wordt gedoeld op de situatie dat de aanvrager een voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de aanvrager gerealiseerd of aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, wordt in deze situatie de voorziening geweigerd. Bijvoorbeeld nadat het college een beslissing over de aanvraag voor een woonvoorziening heeft genomen mag een aanvang worden gemaakt met de werkzaamheden. Pas op dat moment heeft het college alle op de aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit genomen over de te treffen voorziening. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst adequate voorziening beschouwt.
Uit de jurisprudentie blijkt tot slot dat een afwijzing op grond van dat de kosten zijn gemaakt voordat het college een beslissing heeft genomen slechts houdbaar is wanneer het college in redelijke mate niet meer kan achterhalen of een voorziening noodzakelijk, adequaat en passend is om aantoonbare beperkingen op het gebied van het wonen of het zich binnen of buiten de woning verplaatsen op te heffen of te verminderen.
Lid 5. (onderdeel e.)
Onder e wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de aanvrager verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de aanvrager geen schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is voor het verloren gaan, dient bekeken te worden of het mogelijk is deze derde door de aanvrager hiervoor aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te kunnen verhalen. Indien in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.
Lid 6.
Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een afzienbare periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij ontslag uit het ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld huishouden.
Lid 7.
In alle gevallen dient de aanvrager voorafgaand aan de aanschaf van een bepaalde voorziening schriftelijk toestemming van de gemeente hebben verkregen.
Hoofdstuk 1
Artikel 1.2
Uitgangspunten, voorwaarden en weigeringsgronden
Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem 2013 (Vvmo 2013)