De schipper, aan wie een ligplaats is aangewezen, is, indien de havenmeester zulks nodig acht, verplicht bij vorst of ijsgang het water rondom zijn vaartuig zoveel mogelijk open te houden.
Raakt het vaartuig desalniettemin ingevroren en wenst de schipper onder deze omstandigheden zijn ligplaats te verlaten of ontvangt hij daartoe het bevel van de havenmeester, dan is hij verplicht voor zijn rekening en risico het ijs te breken of te laten breken.