Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6.

Artikel 14a

Artikel 14a

Onderdeel van Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2013

Zoals reeds in de inleiding aangegeven wordt door de huidige wet ook het sanctieregime in de overige sociale zekerheidswetten aangescherpt. In wezen wordt een vergelijkbaar boeteregime ingevoerd (boete ter hoogte van de te veel ontvangen uitkering en bij recidive 150% daarvan) zij het dat de uitvoeringsorganisaties (UWV, SVB en Gemeente (voor wat betreft de IOAW en IOAZ)) het uitstaande boetebedrag voor een termijn van vijf jaren in beginsel dienen te verrekenen zonder rekening te houden met de beslagvrije voet. Dit houdt in dat belanghebbenden zodra de verrekening wordt geëffectueerd in beginsel geen beschikking hebben over hun uitkering en indien andere middelen ontbreken, zullen zij dan een beroep moeten doen op de bijstand. In beginsel wordt het feit dat het recht op een passende en toereikende voorliggende voorziening teloor is gegaan, aangemerkt als tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. De huidige model maatregelverordening mist echter een bepaling die volledig is toegesneden op deze situatie. Het hier voorgestelde artikel wil in die leemte voorzien. Zie verder de toelichting op dit artikel. Hoofdstuk 5 regelt de verrekeningsbevoegdheid. In strijd met de regelgevingsleer (en om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de modelverordening) is er voor gekozen om het hoofdstuk en de erbij behorende artikelen zo in te voegen dat vernummering van de overige artikelen noodzakelijk is. In de regelgevingsleer wordt meestal gekozen voor het invoegen van artikelen in de bestaande nummering. Hiervan is afgeweken om de verrekeningsbevoegdheid zo duidelijk mogelijk los te koppelen van de mogelijkheid om bij schending over te gaan tot het opleggen van een maatregel.

Rechtspraak bij dit artikel