De leden van de raad en de overige aanwezigen spreken vanaf
de spreekplaats en richten zich tot de voorzitter. De leden
van de raad die tijdens het betoog nadere toelichting van de
spreker verlangen op hetgeen deze heeft gezegd, maken
daarvoor gebruik van de interruptiemicrofoons in de zaal.
Ook de interrupties worden tot de voorzitter gericht.
Bij bijzondere gelegenheden kan de voorzitter bepalen dat de
leden van de raad en de overige aanwezigen vanaf een andere
plaats spreken.
Een lid voert slechts het woord na het aan de voorzitter
gevraagd en van hem verkregen te hebben. Interrupties zijn
in principe toegestaan zonder voorafgaande toestemming van
de voorzitter.
Alvorens de beraadslaging in eerste of tweede instantie over
een onderwerp wordt geopend, stelt de voorzitter de leden in
de gelegenheid zich aan te melden om het woord te voeren. De
voorzitter verleent het in het derde lid bedoelde verlof in
de volgorde, waarin de leden zich hebben aangemeld.
De voorzitter kan toestaan, dat een lid, dat zich niet
overeenkomstig het vierde lid heeft aangemeld, alsnog het
woord voert.
Van de in het vierde lid bedoelde volgorde kan worden
afgeweken, wanneer verlof wordt gevraagd om over een nader
aangeduid persoonlijk feit te spreken, een voorstel van orde
te doen, inlichtingen over het aan de orde zijnde onderwerp
te vragen of voor te stellen de beraadslagingen te
sluiten.
Een lid dat in tweede instantie voor de eerste maal het
woord voert, krijgt op zijn verzoek het woord voor degenen,
die in eerste instantie het woord reeds gevoerd hebben.
De voorzitter kan nadere regels stellen omtrent het
spreekrecht van raadsleden.
Hoofdstuk 3 › Paragraaf 2
Artikel 22
Spreekregels
Onderdeel van Wijziging Reglement van orde gemeenteraad 2010 (eerste wijziging)