In deze verordening wordt verstaan onder:
1.
monument:
een object dat, op het moment dat met de te subsidiëren activiteiten een begin wordt gemaakt, is aangewezen als een beschermd monument in de zin van respectievelijk artikel 3 van Monumentenwet 1988 dan wel artikel 1, eerste lid, van de Monumentenverordening 1994;
2.
gemeentelijk monument:
een object dat, op het moment dat met de te subsidiëren activiteiten een begin wordt gemaakt, is aangewezen als een beschermd monument in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Monumentenverordening 1994;
3.
archeologische (nood)opgraving:
het noodzakelijk en zonder uitstel te verrichten archeologisch bodemonderzoek dat van uitzonderlijke gemeentelijke betekenis is;
4.
onderhoud: werkzaamheden
die noodzakelijk zijn om een monument in goede, historische staat te houden en die gericht zijn op het zoveel mogelijk herstellen van de historische staat van een monument en het voorkomen van groot onderhoud en restauratie;
5.
restauratie: werkzaamheden,
die het onderhoud zoals bedoeld in dit artikel te boven gaan en noodzakelijk zijn om een monument in goede, historische staat te houden en die gericht zijn op het zoveel mogelijk herstellen van de historische staat van een monument;
6.
conservering:
werkzaamheden gericht op het treffen van zodanige historisch verantwoorde voorzieningen aan kasteel- of bedrijfsruïne, die tevens monument is, dat de staat waarin deze zich bevindt niet verder achteruit gaat en/of gericht op het zoveel mogelijk herstellen van de historische staat;
7.
haalbaarheidsonderzoek:
een onderzoek om vast te stellen of de restauratie van een monument of conservering voldoende zinvol is.