Ter vaststelling van het subsidie voor archeologische (nood)opgravingen dienen zo spoedig mogelijk na het gereedkomen van de werkzaamheden, doch uiterlijk binnen 4 weken daarna, burgemeester en wethouders daarvan in kennis te worden gesteld, onder overlegging van:
de op de archeologische (nood)opgraving betrekking hebbende gespecificeerde verantwoording van de werkelijk gemaakte kosten en afschriften van de desbetreffende rekeningen en betalingsbewijzen (geen bankoverschrijvingsformulieren), voorzien van een duidelijke toelichting;
het verslag inzake de in verband met de archeologische (nood)opgraving verrichte werkzaamheden en een lijst van de bij de opgraving gedane vondsten met daarin, indien van toepassing, vermeld de plaats waar deze vondsten ondergebracht zijn.