In een in artikel 3, eerste lid, onder a. van de wet bedoelde inrichting mag slechts gelegenheid tot dansen gegeven worden als wordt voldaan aan de volgende inrichtingseisen:
in het vertrek of de open aanhorigheid waar het dansen geschiedt, moet een duidelijk van het overige deel van de vloer te onderscheiden dansvloer aanwezig zijn;
de dansvloer mag niet vervaardigd zijn van of bedekt met weerspiegelend materiaal;
het vertrek of de open aanhorigheid waar het dansen geschiedt moet van alle kanten goed te overzien zijn;
in de inrichting moeten ten behoeve van bezoekers, voor mannen zowel als voor vrouwen afzonderlijke, volledig van elkaar gescheiden toiletgelegenheden aanwezig zijn. Elke toiletgelegenheid moet voldoen aan de navolgende eisen:
zij moet een of meer behoorlijke privaten bevatten;
zij moet een of meer behoorlijke voorzieningen bevatten om de handen met stromend deugdelijk drinkwater te kunnen wassen;
de in de privaten aanwezige closetpotten en de urinoirs moeten voorzien zijn van een waterspoeling;
de privaten, alsmede de ruimten welke urinoirs bevatten, mogen niet rechtstreeks in verbinding staan met het vertrek of de open aanhorigheid waar het dansen geschiedt.
Als gelegenheid wordt gegeven tot dansen in een vertrek of open aanhorigheid die pleegt te worden gebruikt als voor het publiek toegankelijke dansgelegenheid, of voor het houden van voor het publiek toegankelijke toneel-, muziek-, dans-, en dergelijke uitvoeringen, van bijeenkomsten of van partijen, moet bovendien worden voldaan aan de navolgende inrichtingseisen:
de oppervlakte van het vertrek of de open aanhorigheid waar het dansen geschiedt moet tenminste 70 m2 bedragen;
de oppervlakte van de dansvloer moet tenminste een zesde deel bedragen van de oppervlakte van het vertrek of de open aanhorigheid waar het dansen geschiedt,met een minimum van 20 m2;
voor de toiletten, bedoeld in het vorige lid, onder d. mag geen voor mannen zowel als voor vrouwen toegankelijk voorportaal aanwezig zijn.