Naar hoofdinhoud

Artikel 3.

Verlaging boete bij verminderde verwijtbaarheid

Onderdeel van Beleidsregel waarschuwing bij geen benadelingsbedrag/verlaging boete bij verminderde verwijtbaarheid

Bij de bepaling van de hoogte van de bestuurlijke boete wordt de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten beoordeeld naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenplicht had moeten nakomen. Gelet op hetgeen vermeld wordt in artikel 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten leiden bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten in ieder geval de volgende criteria tot verminderde verwijtbaarheid: de betrokkene verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenplicht te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt; de betrokkene verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen, of; de betrokkene heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenplicht. N.B. Bij voornoemde criteria gaat het niet om een limitatieve opsomming. Dat volgt uit de woorden “in ieder geval” in artikel 2a, tweede lid van het Boetesluit socialezekerheidswetten. E.e.a. betekent dat het college in concrete situaties nog rekening kan houden met overige omstandigheden in het individuele geval die kunnen leiden tot verminderde verwijtbaarheid en daarmee tot een lagere bestuurlijke boete. Deze overige omstandigheden worden hier niet benoemd. Het is namelijk de bedoeling dat de verminderde verwijtbaarheid allereerst wordt vastgesteld aan de hand van de drie onder a, b en c vermelde criteria. Mocht in een enkel geval blijken dat toch sprake is van bijzondere omstandigheden die niet precies binnen die criteria vallen maar die in hun gezamenlijkheid toch verminderde verwijtbaarheid rechtvaardigen dan kan in het enkele geval worden beslist dat de boete wordt gematigd. Ook dan geldt in principe een verlaging van 50% van de boete. Bovendien wordt in analogie van deze beleidsregel daarbij uitgegaan van de maximale of minimale boete. Lid 1. In het kader van uniformiteit en rechtsgelijkheid wordt in het eerste lid van dit artikel geregeld dat indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 2a, tweede lid, onder a en b van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, de boete dan met 50% wordt gematigd. Lid 2. Wanneer voldaan is aan de voorwaarden van artikel 2a, tweede lid 2 onder c van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, is eveneens sprake van verminderde verwijtbaarheid. Het gaat hier om het alsnog spontaan melden of alsnog juist melden door de belanghebbende. De belanghebbende voldoet hiermee weliswaar te laat maar wel uit eigen beweging aan zijn informatieplicht. Om de mate van verwijtbaarheid in die gevallen, waarin er in de regel geen andere omstandigheden zijn die hierop van invloed kunnen zijn, te bepalen, vormen het benadelingsbedrag en de duur van de overtreding de enige twee criteria. De tijdsduur en daarmee het benadelingsbedrag liggen binnen de invloedssfeer van belanghebbende en kunnen dus afgebakend worden om de mate van verwijtbaarheid te bepalen. Hoe lager het bedrag en hoe korter de duur van de overtreding, hoe lager de mate van verwijtbaarheid. Het artikel weergegeven in tabelvorm: Benadelingsbedrag duur overtreding verlaging boete in % < € 5.000 + ≤1 jaar 75 < € 5.000 + >1 jaar 50 ≥ € 5.000 + ≤1 jaar 50 ≥ € 5.000 + >1 jaar 25

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel