De rekenkamer is bevoegd binnen een aan haar bij de begroting beschikbaar gesteld budget uitgaven te doen ten behoeve van de uitvoering van haar taken.
De rekenkamer verantwoordt de baten en lasten van het vorig begrotingsjaar in het jaarverslag aan de raad, als bedoeld in artikel 185, derde lid.
De voorzitter doet jaarlijks vóór 1 juni een voorstel aan de raad voor de nodige middelen voor een goede uitoefening van de taken.
Ten laste van het in het voorgaande lid bedoelde budget worden de kosten gebracht van:
de vergoedingen van de leden;
de ambtelijk secretaris;
interne onderzoeksmedewerkers;
externe deskundigen die door de rekenkamer zijn ingeschakeld;
eventuele overige uitgaven die de rekenkamer nodig acht voor de uitoefening van haar taak.