Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 4

– Afzien van het verlagen van de uitkering

Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB, IOAW, IOAZ en Bbz 2013

Lid 1 en 2 Het afzien van verlaging van de uitkering ‘als elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt’, is geregeld in artikel 18 lid 2 WWB, artikel 20 lid 3 IOAW/IOAZ. Dit wordt op individuele gronden beoordeeld. Een andere reden om af te zien van de verlaging is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt toegepast. Om deze reden wordt onder b. geregeld dat er geen verlaging wordt toegepast die langer dan één jaar geleden is geconstateerd. Daarnaast kan het college afzien van het verlagen van de uitkering als daarvoor dringende redenen bestaan. Lid 3 Belanghebbende wordt altijd schriftelijk op de hoogte gesteld als het college afziet van het verlagen van de uitkering. Op die manier wordt belanghebbende gewezen op zijn afstemmingswaardig gedrag maar dat en wat de redenen zijn om er van af te zien. Lid 4 Het niet beheersen van de Nederlandse taal wordt niet geaccepteerd als reden waarom verplichtingen niet nagekomen zijn. Dat wordt niet als bijzondere omstandigheid gezien.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel