**1..** Indien bij de alleenstaande of de alleenstaande ouder een kind van 21 jaar of ouder (al dan niet met diens eigen gezin) inwoont, ontvangt deze op de voor hem geldende norm van artikel 21 onder a, respectievelijk artikel 21 onder b van de wet een toeslag ter hoogte van de helft van het bedrag genoemd in artikel 25 lid 2 van de wet.
**2..** Indien bij de alleenstaande of de alleenstaande ouder twee of meer kinderen van 21 jaar of ouder inwonen (al dan niet met hun eigen gezin), ontvangt deze op de voor hem geldende norm van artikel 21 onder a, respectievelijk artikel 21 onder b van de wet geen toeslag.
**3..** Indien bij de gehuwden een kind van 21 jaar of ouder (al dan niet met diens eigen gezin) inwoont, ontvangen deze de voor hen geldende norm van artikel 21 onder c van de wet met een verlaging ter hoogte van de helft van het bedrag genoemd in artikel 25 lid 2 van de wet.
**4..** Indien bij gehuwden twee of meer kinderen van 21 jaar of ouder inwonen (al dan niet met hun eigen gezin), ontvangen deze de voor hen geldende norm van artikel 21 onder c van de wet met een verlaging ter hoogte van het bedrag genoemd in artikel 25 lid 2 van de wet.
**5..** Indien bij de alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwden enkel inwoont of inwonen een of meerdere studerende kinderen of kinderen jonger dan 21 jaar, heeft dit geen gevolgen voor de toeslag c.q. verlaging van de alleenstaande, de alleenstaande ouder of het gezin. Als echter een van deze kinderen gehuwd is met een persoon van 21 jaar of ouder, heeft dit dezelfde gevolgen voor de toeslag c.q. de verlaging als ware er sprake van inwoning van een willekeurige derde.
**6..** In aanvulling op het vijfde lid, en in afwijking van het eerste tot en met vierde lid, hebben thuisinwonende kinderen van 21 jaar of ouder die aantoonbaar en verifieerbaar een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000, geen invloed op de toeslag of verlaging van de ouder(s).
**7..** Bij het bewonen van een woning waaraan voor de belanghebbende(n) geen of slechts zeer geringe woonkosten zijn verbonden wordt er, in afwijking van lid 1 tot en met 6, geen toeslag verstrekt aan een alleenstaande (ouder), en wordt bij gehuwden een verlaging ter hoogte van het bedrag genoemd in artikel 25 lid 2 van de wet toegepast.
Artikel 9
Speciale normen voor de ouder(s) met inwonende meerderjarige kinderen
Onderdeel van Verordening verhoging en verlaging algemene bijstand 2013