Onverminderd artikel 2, tweede lid en derde lid van deze verordening wordt, indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan – anders dan door gedragingen zoals omschreven in hoofdstukken 2 en 3 van deze verordening – heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, een maatregel opgelegd:
ter hoogte van 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, indien belanghebbende verwijtbaar geen of geen volledig recht heeft op een uitkering krachtens een sociale verzekering, of een daarmee naar aard en doel overeenkomende buitenlandse regeling of private verzekering, dan wel een zodanig recht verwijtbaar verliest;
ter hoogte van 100 procent van de bijstandsnorm gedurende de periode dat belanghebbende niet op bijstand zou zijn aangewezen, indien hij op verantwoordelijke wijze de middelen waarover hij beschikte of redelijkerwijze kon beschikken zou hebben aangewend, met een maximum van zes maanden; hieronder wordt mede begrepen het schenken of anderszins wegsluizen van middelen voorafgaand aan de periode waarover bijstand wordt aangevraagd;
ter hoogte van 10 procent van de bijstandsnorm, gedurende een maand voor elke week of deel van een week, waarmee het toegestane verblijf in het buitenland door belanghebbende is overschreden, met een maximum van 3 maanden bij de eerste overschrijding in een kalenderjaar; bij een tweede overschrijding binnen een kalenderjaar kan de duur of de hoogte van de toe te passen maatregel worden verdubbeld;
ter hoogte van 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, indien de belanghebbende door eigen toedoen, voorafgaand aan de melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid van de wet, inkomsten uit algemeen aanvaardbare arbeid of andere middelen van bestaan geheel of gedeeltelijk verliest;
ter hoogte van 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand, indien de belanghebbende zonder dringende noodzaak van een hoofdverblijf buiten de gemeente Ede naar de gemeente Ede is verhuisd zonder dat hij daar een concreet uitzicht had op voldoende inkomsten uit betaalde arbeid om daarmee langdurig in zijn bestaan te voorzien;
ter hoogte van 100 procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden, indien de gevallen bedoeld onder d. en e. zich gelijktijdig of kort na elkaar voordoen.
ter hoogte van 20 procent van de bijstandsnorm, indien een beroep op bijstand wordt gedaan als gevolg van de verrekening van een bestuurlijke boete met een andere uitkering waar belanghebbende recht op heeft, voor de duur van dat beroep op bijstand, met een maximum van 6 maanden.
Hoofdstuk 4
Artikel 12
- Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan
Onderdeel van Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2013